Wat maakt ’t uit?

Het is zo’n lekker zachte, verdwaalde nazomerdag. Ik sjouw de zoveelste natte was van de week naar buiten en hang de (steeds groter wordende) spijkerbroeken, T-shirts en sokken netjes op een rij aan mijn mooie nieuwe droogmolen. De vorige heeft afgelopen voorjaar na achttien jaar trouwe dienst de geest gegeven, en omdat de zeldzame seniorenwasjes nog láng niet in zicht zijn, (tenminste, met die gedachte hou ik mezelf zoet en hopelijk jong,) hebben we een nieuw, stevig exemplaar aangeschaft.

Zo’n pubergezinswas is altijd weer een verrassing. Zou er deze keer wél ondergoed van die ene – niet nader te noemen – telg bij zitten? Zouden er nu eens wél een even aantal sokken aan de lijn komen te hangen? Vandaag valt het mee, zelfs de viespeuk des huizes heeft zeker één onderbroek in de was gegooid de afgelopen twee dagen. Ik ben trots.
Dan hang ik een pyjama van mijn benjaminnetje op. Een mooie, knalrooie broek met zwarte sterren, en het bijpassende shirt… eh, néé, het shirt dat bij z’n ándere pyjama hoort. De zwart-met-grijze.
Ik grijns. We hadden er laatst nog een klein gesprekje over: welke broek hoort bij welk pyjamajasje?

Mijn ook-al-zo-groot-wordende brugklassertje dat elk uitje in zijn eten vindt, elk tomaatje uit zijn sla vist en de ene week alleen maar smeerkaas lust en de andere week alleen maar ham, uitgerekend die mekkerkont zegt: “”Wat kan het nou schelen dat m’n pyjama niet bij elkaar past! Trouwens, in het donker, in bed, ziet toch niemand het”.

Dit is hetzelfde jongetje dat gewatteerde kerstsokken aantrekt in juli, geen zomerpyjama wil dragen omdat hij van zo’n korte broek een raar gevoel krijgt en dan niet kan slapen, zijn nieuwe zomerjas links laat liggen omdat hij liever een oud tweedehands trainingsjasje draagt dat drie maten te klein is.
Maar hij heeft gelijk: wat kan het nou schelen?

Wat kan het schelen dat je met het raam open ruzie maakt met je broer en de hele buurt mee kan genieten? Wat maakt het uit dat het halve dorp een openluchtconcert heeft als jij staat te douchen?
Wat maakt het uit als ze vinden dat we een tokkies zijn, omdat we in de verkeerde straat wonen? Wat maakt het uit dat er bij ons áltijd leven in huis is en we met z’n vijven in een rijtjeshuis (dat voor starters al te min is) bivakkeren? Wat maakt het uit dat ze denken dat je lui bent, omdat je niet buitenshuis werkt en overdag zomaar voor het raam zit te lezen of te haken?

Ik maak me zo vaak druk over zoveel dingen, en nog wel het meest om wat een ander denkt of vind. En ik kan je vertellen: daar krijg je kramp van. En hoofdpijn.
Ik wil me geen zorgen meer maken om wat de buurvrouw van zoveel-huizen-verderop wel niet over mij zegt. Ik wil niet meer mijn best doen om te zijn zoals de anderen. Ik wil me niet meer 24/7 druk maken of we anderen niet tot last zijn en of ik iemand niet benadeel. Ik wil niet meer blijven speuren naar de juiste manier en de goeie look.

Ik wil leren wat genade is, en sorry leren zeggen als dat nodig is.
Zonder kramp. Zonder hoofdpijn. En mét een flinke portie genade.
En ik weet bij Wie ik dáárvoor wezen moet.