De zachte, stille moeder

Communiceren, wat is dat soms lastig! Rustig praten, goed luisteren, heldere boodschappen afgeven, duidelijk maken wat er speelt of wat er moet gebeuren; bijna niemand lijkt het voor honderd procent onder de knie te hebben.
Als je autisme of ADHD hebt, als je gehoor slecht is of als je met een taalontwikkelingsstoornis bent opgezadeld, is deze vaardigheid al helemaal niet vanzelfsprekend. En voor moeders, nee, voor ons gaat het ook niet vanzelf.


Jaren geleden vertelde een vriendin dat de moeder uit Het kleine huis op de prairie haar ideale moeder was. Ik heb de serie nooit gezien, maar begreep uit haar omschrijving dat het gaat om een lieve, rustige vrouw, die nooit haar stem verheft en slechts wijze woorden spreekt.
Mijn gedachten gaan dan eerst naar het boek Spreuken, en dan razendsnel naar mijn eigen onvermogen. Want ja, zo’n vrouw ís ook ideaal, maar wie kan altijd rustig, wijs en doordacht communiceren in een huis vol mensen met eigenaardigheden?

Toen ik vanochtend een humeurige jongste puber met een geforceerde glimlach uitzwaaide, en mijn maag nog pijn deed van de harde manier waarop hij momenteel met mij omgaat, schoot de tekst uit Spreuken 15 door mijn hoofd. Een vriendelijk woord doet de gramschap bedaren. Als je denkt dat de Bijbel geen handvatten geeft voor het dagelijks leven, moet je de Spreuken maar eens lezen. Ik denk dat de kleine-huis-op-de-prairie-mama dat boek uit haar hoofd heeft geleerd.

Maar nu ga ik even eerlijk zijn. Als was mijn leven ideaal en mijn man en kinderen altijd perfect, dan was ik nóg die serene moeder niet. Al kende ook ik het wijze boek van Salomo uit mijn hoofd, dan nóg ging het geregeld mis. Want mijn eigen hart is vaak onrustig, en voldoet niet aan de eisen; ik ben vaak egoïstisch en heb last van mijn eigen emoties.
Ik denk dat Jezus dat wist toen hij die overbekende woorden sprak.

“Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en Mijn last is licht.” – Mattheüs 11:29

De tekst uit Spreuken 15 heb ik vanochtend op de keukendeur gehangen. Maar ik weet dat ik er met een aanwijzing uiteindelijk niet kom. Boeken, cursussen en methodes genoeg om te leren communiceren; maar ik heb innerlijke vrede nodig om te handelen zoals Salomo suggereerde. Omdat ik al negenendertig jaar lang bewezen heb dat wetten niet werken en regels mij niet veranderen.

“Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.” – Mattheüs 11:28

De last van de zonde die mij hard maakt en scherp; de neiging tot zelfrechtvaardiging en de liefdeloosheid die in mijn genen vervlochten is, ik kan ze niet van me losrukken door bijbelse oneliners aan de muur te hangen en het viervoudige pad van de geweldloze communicatie van Rosenberg uit mijn hoofd te leren. Ook zelfcompassie en mindfullness maken mij niet zachtmoedig en nederig van hart.

Ik ren naar Hem toe, die mij rust geeft, en kijk naar Hem, die wél zachtmoedig is en nederig van hart. En als ik dan bij Hem ben uitgerust, bind ik m’n schort weer voor en de grijp de wastobbe … eh … druk ik op het knopje van mijn volautomatische merkwasmachine. Met een brede smile, omdat ik stiekem weet dat moeder Prairie niet eens echt bestaat.


Advertenties

Hoe kon U dit bedenken?

Klagen. Vragen. Wat doen we dat graag! En als het lukt om glimlachend “Prima!” of “God is goed!” te zeggen wanneer men vraagt hoe het gaat, dan leggen we onze ingehouden klachten wel thuis bij manlief neer. Of in het beste geval: bij God.

Vanochtend las ik een stuk uit het boek Job; het gedeelte waarin de vierde vriend Job op z’n vingers tikt: Wat klaag je nou, weet je wel hoe groot God is? Hoe kun je Hém nou ter verantwoording roepen?
Nou, wat mij betreft had Job álle reden om te klagen; hij was zijn complete gezin én z’n bedrijf kwijt en zat onder de zweren, terwijl hij door zijn zogenaamde vrienden werd aangeklaagd. Lekker dan! Dus het was ook al niet in orde dat de rechtvaardige Job zijn klacht op God richtte? Als Elihu gelijk had, kan ik wel onder een steen gaan zitten en met Paulus roepen: `Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen?’

Hoe kon u dit bedenken?
Ik heb het vele malen naar God uitgeroepen. Een hooggevoelig, van nature faalangstig en onzeker mensje, dat een lekker drukke man krijgt die het liefst altijd muziek of TV aan heeft en mij officieel als leidinggevende-slash-secretaresse heeft aangesteld; en als bonus nog twee van die lieve stuiterballetjes en een derde gefrustreerde prikkelprins er bovenop.
Hoe kon u dit bedenken? Wie stelt nou zo’n gezin samen? Hoe word ik geacht mijn hoofd boven water te houden?
Niet! Al mijn kunstgrepen om staande te blijven of zelfs om de beste moeder te zijn lopen uit in een Jobiaans klaagfestijn. Ik kan het niet. En wees eens eerlijk, kan jij het wel?

Genade vinden in de chaos
Niet voor niets heb ik deze ondertitel voor Het Stempelhuis gekozen. Want hoe makkelijk is het om te verzanden in het diagnoses tellen, onmogelijkheden zien, wegzakken in zelfmedelijden.
Ik geloof dat wat voor mensen onmogelijk is, bij God júíst mogelijk is. Ik geloof dat er midden in de chaos genade te vinden is: en juist in deze roep: Ik kan het niet!
God is het die dit gezin bedacht; Hij is het ook die jóuw en mijn leven heeft ontworpen en die niet-zo-gewone mensjes in ons leven bracht. Waar wij roepen: Hoe dan, Heer? is Hij daar en zegt Hij liefdevol: geef het maar aan Mij!

Ik geef je kracht! Ik leg in jou een creativiteit die je verbazen kan, wanneer jij in Mijn kracht uitstapt om jouw gezin te leiden. Ik geef jou humor, gekke oplossingen, de kunst van het schouders ophalen als de hele wereld een mening heeft.
Ik wil jou laten zien hoe kostbaar en uniek jouw kinderen zijn; en hoe zij én jij mogen leren uit genade te leven. Ik wil je leren vreugde te vinden in de zegen die Ik geef, maar boven alles vreugde te vinden in Mij.
Vertrouw op Mij, Ik ben er en Ik zal er zijn.


Moet dat nou, zo’n stempel?

Met een verhoogde hartslag en een vaag knagend schuldgevoel in je buik zit je daar, aan de andere kant van een grijs bureau vol agenda’s, notitieblokken met aantekeningen, pennen, een computer, en die niet te negeren dikke, paarsblauwe DSM, die als een zwaard van Damocles de inhoud van het te vallen vonnis geheim houdt tussen zijn stevige omslag.

Je frummelt wat aan je tas en vraagt je af of je je jas ergens kwijt kan; in het benauwde kantoortje hangt de typische geur van printers en warm tapijt.
“Fijn dat jullie samen gekomen zijn! We zullen vandaag de uitslag van de onderzoeken bespreken en een plan voorstellen voor de te volgen behandeling.”

Je denkt dat ze alles weten. Daar, aan de andere kant van het bureau, zit je reddende engel met alle kennis die er te krijgen is, de dokter die alles van jouw kind weet en begrijpt. Je verwacht een intelligente, professionele oplossing voor de problemen rond je kind, dat niet binnen de lijntjes kleurt en zich maar niet tussen de strepen van de curve wil ontwikkelen. Je klampt je vast aan het oordeel van de deskundige, want wat moet je anders? Kom maar op met die diagnose!

De hele wereld heeft er een mening over. Wie verdwaald wil raken moet vooral eens over het internet gaan reizen met een aantal zoektermen die je willekeurig kunt prikken uit de onderzoeksverslagen van het GGZ.
Alsof je het allemaal maar verzonnen hebt, dat vreemde gedrag, die typische patroontjes, die rode cijfers, dat gebrek aan contact of die ontoombare energie. Alsof je zelf zo graag die wanhoop wilde voelen en die onmacht; alsof je het je ideaal was om je kind ooit aan te melden voor psychologische onderzoeken toen hij zo perfect en schattig verscheen op zijn geboortedag.

“Ze plakken overal een stickertje op tegenwoordig.”
“Moet dat nou, zo’n stempeltje?” of nog erger, en vooral pijnlijker: “Hij mag toch gewoon wezen wie die is?”
Als ik in gedachten terugga naar de periodes waarin onze kinderen hun diagnoses kregen, voel ik weer het verdriet, de angst, de afwijzing en de veroordeling.

Hij mág wezen wie hij is! Hij is door God gewild, geliefd. Een unieke creatie, met een masterplan voor zijn leven. Maar we zijn nog niet in de hemel, we leven in een land waarin je pas zorg, onderwijs en hulp op maat krijgt als er een officieel erkend labeltje aan je gehangen is.

Ik heb het schuldgevoel de deur uit gedaan. Als je kind extra vitamines nodig heeft, geef je die hem. Moeten er nieuwe kleren komen, dan zorg je daarvoor. Is zijn been gebroken? Dan komen er gips en krukken. Daar zal niemand je op aankijken.
Heeft hij extra hulp, zorg, aandacht, tijd, structuur of misschien zelf een pilletje nodig om een beetje beter mee te komen in onze maatschappij (en in je gezin!)? Dan stroop je je mouwen op, laat het publiek lekker boe-roepen en ga je ervoor. Met knikkende knieën en oogkleppen op, maar verzekerd van de liefde en genade van de Schepper van dat kind, Die Hem zelf tot in de kleinste details zo ontworpen heeft en Die in jou als moeder de mogelijkheden gelegd heeft om de beste expert te worden die er voor dat kind maar zijn kan.
Schud het oordeel van je schouders en ga ervoor. Want jíj en ik, wíj zijn ervoor aangenomen!