Als je kind steeds minder eet

Chocola. Met een mengeling van verbazing en ergernis schrijf ik de lekkernij onderaan het mentale lijstje van zaken die niet meer gegeten worden door mijn ASS-er. Tussen haakjes erachter: dus ook geen hagelslag meer. De bruine heerlijkheid staat als een onwelkome vreemdeling onder de al bijna gewende ham, kaas-op-brood-maar-wel-los, gewone (dus geen zilvervlies)rijst (omdat die zo raar anders voelt) en alle yogho’s behalve perzik. Met groeiende zorg zie ik broodbakken vol terugkomen van school en borden gezond, warm eten onaangeroerd blijven. Mijn de lucht in schietende jongste puber wordt steeds lichter en slanker. Hoe lang kan dit nog doorgaan?

Als je kind steeds minder eet, wordt er een soort oermoedergevoel in je wakker gemaakt. Een moeder heeft het in haar genen om haar kinderen te voeden. Ook in de dierenwereld zie je moederdieren uit instinct hun kinderen voedsel geven. Als zo’n grote puberkerel aan je etenstafel voor de derde keer zijn bord wil volscheppen, knik je hem aanmoedigend toe: Toe maar! Eet maar! Het mag op! Hoeveel temeer het rotgevoel van onmacht als zo’n jongen juist steeds minder weg kan krijgen.

Ik ben een moeder die graag oplossingen bedenkt. Als ik merk dat er zich een doodlopend weggetje aandient in het leven van één van mijn kinderen, duik ik er bovenop. Ik Google, lees, bel, overleg, pieker, peins, lees nog wat meer, lig wakker en verzin. Ja, ik moet mij soms – met schaamte – rekenen onder de curlingouders. Maar in het geval van een kind dat afvalt en bijna niks meer binnenkrijgt, vind ik dat ik dat mág.

Het jammere is alleen, dat er soms geen oplossing is. Soms (ont)breekt de stok van de curling-veger (of hoe heet zo’n ding) en soms zit er gat in de baan. Soms kom er je na een surfsessie op het wijde web achter dat je probleem een veel voorkomend, onopgelost probleem blijkt te zijn.
Soms, of eigenlijk best vaak, moet ik na veel hoofdbrekens concluderen dat ik me bij het feit neer moet leggen dat het gewoon niet gaat zoals je wil. Hoeveel pijn of frustratie dat ook kost. Soms is het het beste om met Paulien Cornelisse, (in haar – overigens geniale – `taal voor de leuk’) simpel te zeggen: Dan maar.

Wat is het moeilijk om toe te geven dat je het ook niet meer weet. Of dit nu het slechte eetgedrag van je kind met autisme betreft, de doorlopende problemen met zijn taxivervoer, het toekomstperspectief van je bestempelde zonen of welk ander blok in je moedermaag dan ook.

“Komt één van u wijsheid te kort? Vraag God erom en Hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven.”

Jakobus 1:5 (NBV)

Wijsheid is af en toe een mooie of zelfs snelle oplossing kunnen bedenken. Maar het is ook wijsheid om te accepteren dat de oplossing zich misschien later aan zal dienen.
Voorlopig negeer ik het hij-mot-gewoon-niet-zeuren-team dat op de achtergrond joelt in mijn hoofd, leg weer een multivitaminepil naast zijn kopje thee bij ’t ontbijt, en zegen de uitvinder van voedingssupplementen.

Ik schuif op hoop van zegen een bakje komkommerplakjes naast de weer opnieuw gevulde broodbak in de mega-brug pieper-schooltas, want die staan (nog?) op de groene lijst, en haal mijn schouders diep van binnen op (Al gaat dat niet vanzelf met zo’n pak erop.) Op hoop van zegen.
Op hoop van zegen!