Van lijden naar heerlijkheid

Met verwondering heb ik de afgelopen weken de geschiedenis van Job gelezen. Een verhaal om je hoofd bij te schudden, je wenkbrauwen vragend bij op te trekken en je op te winden over de aanklacht van die mooie vrienden van de immens lijdende, rechtvaardige man, die daar zat in zak en as.

Alles was hij kwijt. Zijn gezin, zijn bedrijf, zijn gezondheid. Alles waar een man trots op kan zijn. Geestelijke steun van zijn vrouw kon hij vergeten: `Zeg God vaarwel en sterf!’ sneerde ze cynisch, zoals alleen een vrouw dat kan.
God stond satan toe om die rechtvaardige van Hem te slaan. Het is wat die aanklager vanaf het begin het liefste doet: het schepsel van zijn Schepper scheiden; een wig drijven tussen Vader en kind. Hij dacht misschien dat onmenselijk lijden Job ertoe zou zetten te doen wat diens vrouw hem adviseerde. Maar hij had het mis.

Job deed wat je van een godvrezend man kan verwachten: hij riep het uit naar God. Hij richtte zijn jammerklacht in vertwijfeling naar de Eeuwige, tot ongenoegen van drie van z’n maten die hem kwamen bezoeken en het nodig vonden hem terecht te wijzen. Job was niet voor rede vatbaar. Het was het verschijnen van de Heere Zelf dat hem tot inkeer bracht: `U hebt gelijk! Ik weet dat U almachtig bent!’
Job kreeg een heel nieuw inzicht in wie God was; hij raakte volkomen onder de indruk van Zijn heerlijkheid en vergat zijn jammerklacht.

Het lijden van Job zet onze moeiten wel in perspectief; maar dat betekent niet dat wij niet ook moeten lijden soms. De vraag is wat we doen als alles ons teveel wordt; als de zorgen, de pijn en het verdriet ons overspoelen. Luisteren we naar de stemmen die ons aanklagen?
Vragen we ons af wat wíj verkeerd hebben gedaan? Of worden we cynisch als die vrouw van Job?

“Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden” – Romeinen 8:18

God herstelde Job volledig. Hij werd aan eind van ’t verhaal dubbel zo gezegend als aan ’t begin. Maar Job had iets niet wat wij wel hebben: de Zoon.
Als wij, zoals Johannes beschrijft, Zijn heerlijkheid zien, valt het lijden weg en raken we vol bewondering van Wie Hij is. Dan overtuigt de Geest ons van de hoop op een tijd waarin wij in Zijn heerlijkheid mogen delen, en laat Hij een vrede in ons stromen die al het menselijk begrip te boven gaat.

Geef niet op – hou vol! We zullen Hem zien, de Heer die na een tijd van óngeëvenaard lijden verheerlijkt is en in de troon zit – en met ons Zijn heerlijkheid zal delen!

Advertenties