Onderweg

Hoe geef je moeilijke dingen een plek?
Hoe verwerk je jarenlang belachelijk gemaakt en uitgesloten worden?
Hoe sluit je een periode af als je nog steeds niet weet wat je eigenlijk overkwam, en je niet eens de emoties kunt plaatsen of beschrijven die die periode door jouw lijf schoten?
Hoe vind je de kruk van die deur, die je eigenlijk dicht zou moeten doen?

Een nieuwe start. Een nieuw begin op een nieuwe school. De toekomst ligt open, en één ding is zeker: de moeilijke situatie van eerder is voorbij; en de mogelijkheid bestaat dat het nu wél leuk (of in elk geval niet vreselijk) gaat worden in je klas.

Ik kijk naar mijn kind met autisme en zie dat, door de eerste vrije dagen na het afscheid van groep acht heen, de spanning langzaam van hem af begint te vallen. De spanning van het `ik moet daar weer heen’. De spanning van het niet weten hoe het gaat lopen met de musical, de barbecue, de kinderen die áltijd op je letten en vaker scheldwoorden gebruiken dan jouw echte naam; het vage maar niet te negeren gevoel van er niet bij horen.
Hij durft weer af en toe gek te doen, over de grond te rollen als een babietje, keihard te zingen en breekt zelfs wat steentjes van de muur van weerstand af die hij de laatste maanden tussen hem mij heeft opgetrokken. We kunnen weer een spelletje doen en gezellig een film kijken.

‘Hoe gaat het met je?’ Wat een stomme vraag om te stellen aan een beginnende puber met ASS. Ik probeer de vraag wat specifieker te maken: ‘Geeft het een fijn gevoel om te weten dat je niet meer terug hoeft naar die klas?’
Hij haalt zijn schouders op. Hoewel zijn gedrag mijn vraag positief lijkt te beantwoorden, weet hij écht niet wat hij voelt of voelen moet. Er is maar één ding dat nu duidelijk is: Ik ga de juf wel missen!
Ík ga de juf ook missen. Of eigenlijk ga ik de zekerheid missen dat er in elk geval íemand mijn kind echt zíet.

Ik zou hem zo graag willen helpen om de pijn en de afwijzing die hij tot nu toe heeft ervaren achter zich te laten en zo iets van opluchting, bevrijding te voelen. Ik zou de kruk van die deur die hij dicht mag doen wel in zijn handen willen duwen. Maar hoe het in zijn koppie werkt is me een raadsel, en misschien ís daarbinnen wel helemaal geen deur.
Ik probeer mezelf te troosten met het idee dat hij straks betere ervaringen op kan gaan doen, en dat die de oude (hopelijk) langzaam maar zeker zullen gaan verdrijven. Maar mijn psychologische en andere menselijke pogingen om oplossingen te bedenken haperen aan alle kanten – er is iets groters, iets beters nodig om mijn kind vrij en gelukkig te maken.

Hij is onderweg, net als zijn moeder. Net als wij allemaal. Hij loopt met ons mee, niet heel ver weg, maar ook niet meer altijd dicht tegen ons aan. Ik moet hem steeds meer loslaten, en wat is dat een vreselijke, onmogelijke opgave!

Maar wie loopt daar in het midden met ons mee?
Wie is die altijd Aanwezige die mijn kinderen beter kent dan ik?
Wie is die sterke, betrouwbare, liefdevolle, Wijze, die mij ondersteunt als ik niet meer kan en Die mijn kinderen niet uit het oog verliest?

Is het niet die Vader die als geen ander weet wat het is om zijn Zoon los te moeten laten en over te geven aan degenen die Hem haatten?

“Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God,
van Hem is mijn heil;
waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen.”

Psalm 62:2-3

Als ze groot worden…

En dan… is opeens die dag daar. Die dag dat ook je jongste zegt: “Ik kan het nu zelf wel.” Zomaar, out-of-the-blue, hebben ze je niet meer nodig. Of… denken ze je niet meer nodig te hebben.

Kinderen worden groot. Ook kinderen met ADHD of een autismespectrumstoornis. Al is hun weg naar `groot zijn’ hobbelig, bochtig en vaak een stuk langer dan die bij andere kinderen, ook díe weg voert naar een plek waar je wezen wil. Maar… wíl je daar wel wezen, mama?


Wat is het een werk hè, zo’n kleintje. Als verse moeder ben je hele dagen in de weer met voedingen, luiers verschonen, badjes, slaapjes, schema’s, en nog veel meer. Met de geboorte van je kind ben je opeens in een oogwenk getransformeerd in een expert op het gebied van babyverzorging. En je groeit mee met het kind – terwijl het groter wordt, minder lichamelijke zorg maar meer opvoedkundige zorg nodig heeft, groei jij met hem mee.
Als je kinderen eenmaal zelfstandig naar school gaan en je vaker je handen vrij hebt, is dat na een korte periode van wennen juist wel fijn; wanneer je de vermoeidheid van nieuwe jonge ouders en hun strak geplande dagschema’s ziet, denk je stiekem: Wat heerlijk dat dát achter de rug is! (Ík heb dat wél gedacht, al had ik drie hele makkelijke, goed slapende baby’s.)
Maar het moederen, als het eenmaal in je bloed zit, raak je het niet meer kwijt. Je kunt het voor altijd blijven doen, het is een deel van je persoon geworden.

Tot je op een dag in een stil huis op de bank gaat zitten met een bak koffie in je hand. De was aan de lijn hangt, het huis aan de kant is, je in je hoofd precies het dagprogramma van al je kinderen voor je kan zien, maar ze allemaal verbaal of non-verbaal te kennen hebben gegeven dat je hen écht niet meer hoeft te controleren. Je op de klok kijkt en de wijzers nog maar half tien aangeven en je denkt: en nu?

Ik stap even in de biechtstoel vandaag: ik zag het niet aankomen. Dat moment. Ik dacht onbewust dat ik voor eeuwig en altijd kon zorgen, knuffelen, pleisters plakken, dagstructuur aanbrengen, met juffen sparren, uitjes bedenken, opblijfavonden organiseren en af en toe mijn neus in die lekker ruikende zomerhaartjes steken. Maar die eeuwigheid is opeens voorbij: ik heb drie pubers. Ja, ze hebben alledrie hun stempels, maar ze gaan hard op weg richting dat punt waar ik ze altijd hebben wilde: zelfstandigheid. Ik zou blij moeten zijn dat die bestemming steeds dichterbij komt, maar gek genoeg wil ik het opeens niet meer.
Een vreemd gevoel roept dat klokje op half tien bij me op; vaag klinkt in mijn herinnering het typische, calvinistische mantra: ledigheid is des duivels oorkussen! Ik voel me leeg, zelfs schuldig; nutteloos en een beetje belachelijk. Ik ben zo’n vrouw geworden. Je weet wel, zo één die roept: “Is dit het nu?”

Het ligt in mijn aard om lege gaten zelf op te vullen. Ik zou me zomaar halsoverkop in allerlei nieuwe activiteiten kunnen storten. Ik zou werk – of in elk geval weer vrijwilligerswerk – kunnen gaan zoeken; mensen met een beetje hersens en een paar goeie talenten hebben hun agenda zomaar weer vol. Maar is dat wat God van mij verlangt?
Een telefoontje van mijn dochter – die gister haar pols brak bij het skateboarden terwijl ze tweehonderd kilometer verderop zit (help! Daar had ík bij moeten zijn!) – roept me weer terug naar de realiteit: je bent nog steeds nodig, mama!
Die ander geeft haar misschien de knuffel en de pleister, maar de nazorg en de praktische zaken zijn voor mij. Ik dien mijn ontslag als huissecretaresse nog maar even niet in; ik capituleer en staak mijn vechten om agendavulling en zingeving.

Ze zijn nog niet weg, die kinderen. Ze worden wel groter, maar helemaal groot zijn ze nog niet. Maar ik moet ze wel steeds meer loslaten, en wie had gedacht dat dát zo moeilijk zou zijn?
In mijn vorige blog schreef ik over controle, wel, (nu mag je me best even uitlachen,) pubers leveren écht een effectief cold-turkey-programma voor een controlfreak.
Ik geef ze over aan hun Maker, en lever direct mijn eigen agenda ook maar bij Hem in. Al de weg leidt mij mij Heiland. Hij kent mij, en heeft iets voor me liggen voor als die groten écht vertrokken zijn.
Geen paniek mama, chill en geniet van de stille momenten. Pak je bijbel en leer je Heer nog beter kennen; want de eeuwigheid met Hém gaat níét voorbij.
En laat je sterken, want de storm kan elk moment weer om de hoek komen…

“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet;
Ik raad u; mijn oog is op u.” – Psalm 32:8

Moet dat nou, zo’n stempel?

Met een verhoogde hartslag en een vaag knagend schuldgevoel in je buik zit je daar, aan de andere kant van een grijs bureau vol agenda’s, notitieblokken met aantekeningen, pennen, een computer, en die niet te negeren dikke, paarsblauwe DSM, die als een zwaard van Damocles de inhoud van het te vallen vonnis geheim houdt tussen zijn stevige omslag.

Je frummelt wat aan je tas en vraagt je af of je je jas ergens kwijt kan; in het benauwde kantoortje hangt de typische geur van printers en warm tapijt.
“Fijn dat jullie samen gekomen zijn! We zullen vandaag de uitslag van de onderzoeken bespreken en een plan voorstellen voor de te volgen behandeling.”

Je denkt dat ze alles weten. Daar, aan de andere kant van het bureau, zit je reddende engel met alle kennis die er te krijgen is, de dokter die alles van jouw kind weet en begrijpt. Je verwacht een intelligente, professionele oplossing voor de problemen rond je kind, dat niet binnen de lijntjes kleurt en zich maar niet tussen de strepen van de curve wil ontwikkelen. Je klampt je vast aan het oordeel van de deskundige, want wat moet je anders? Kom maar op met die diagnose!

De hele wereld heeft er een mening over. Wie verdwaald wil raken moet vooral eens over het internet gaan reizen met een aantal zoektermen die je willekeurig kunt prikken uit de onderzoeksverslagen van het GGZ.
Alsof je het allemaal maar verzonnen hebt, dat vreemde gedrag, die typische patroontjes, die rode cijfers, dat gebrek aan contact of die ontoombare energie. Alsof je zelf zo graag die wanhoop wilde voelen en die onmacht; alsof je het je ideaal was om je kind ooit aan te melden voor psychologische onderzoeken toen hij zo perfect en schattig verscheen op zijn geboortedag.

“Ze plakken overal een stickertje op tegenwoordig.”
“Moet dat nou, zo’n stempeltje?” of nog erger, en vooral pijnlijker: “Hij mag toch gewoon wezen wie die is?”
Als ik in gedachten terugga naar de periodes waarin onze kinderen hun diagnoses kregen, voel ik weer het verdriet, de angst, de afwijzing en de veroordeling.

Hij mág wezen wie hij is! Hij is door God gewild, geliefd. Een unieke creatie, met een masterplan voor zijn leven. Maar we zijn nog niet in de hemel, we leven in een land waarin je pas zorg, onderwijs en hulp op maat krijgt als er een officieel erkend labeltje aan je gehangen is.

Ik heb het schuldgevoel de deur uit gedaan. Als je kind extra vitamines nodig heeft, geef je die hem. Moeten er nieuwe kleren komen, dan zorg je daarvoor. Is zijn been gebroken? Dan komen er gips en krukken. Daar zal niemand je op aankijken.
Heeft hij extra hulp, zorg, aandacht, tijd, structuur of misschien zelf een pilletje nodig om een beetje beter mee te komen in onze maatschappij (en in je gezin!)? Dan stroop je je mouwen op, laat het publiek lekker boe-roepen en ga je ervoor. Met knikkende knieën en oogkleppen op, maar verzekerd van de liefde en genade van de Schepper van dat kind, Die Hem zelf tot in de kleinste details zo ontworpen heeft en Die in jou als moeder de mogelijkheden gelegd heeft om de beste expert te worden die er voor dat kind maar zijn kan.
Schud het oordeel van je schouders en ga ervoor. Want jíj en ik, wíj zijn ervoor aangenomen!