Voor jou, mama!

Hee! Jij daar!

Ja, jij, met je bak koffie, haastig op de stoel, een poging doend om weer wat energie op te doen zodat je het weekend straks doorkomt. Dat weekend vol kerstverlichting, boze kinderen, punthoofden, schuldgevoelens en gefrustreerde gesprekken over geld.

Jij weet dat jíj het weer moet doen straks, als de kinderen thuis komen. Je denkt minstens één keer per dag: `Ik zou meer moeten doen’. Je peinst je suf over wie je ook al weer was vóór dit leven. Je voelt je vaag schuldig over al die dromen en talenten die je hebt laten varen, maar bij de gedachte aan méér schiet je al in een lichte paniek omdat je nu al manager, pedagoog, verpleegster, psycholoog, topkok, onderzoeker, wetenschapper, docent, leerling, vrouw-van-en-dus-agenda-ván bent en je geen idee hebt hoe je die levens zou moeten samenvoegen.

Misschien sta je er alleen voor. Misschien is de vader van je kinderen heel lief en steunt hij je, maar heeft hij net zoveel leiding en overzicht nodig van jou als jullie kinderen.

Jij staat misschien wel op het punt van huilen. Of zelfs op het punt van opgeven. Je bent moe, je hebt een vaag zeurende hoofdpijn, en je probeert in je gedachten alvast een planning voor de kerstvakantie te maken, want je wéét dat die planning zoveel rust kan geven. Maar eigenlijk wil je liever nu in een warm holletje kruipen (met of zonder Tony Chocolonely Karamel-Zeezout) en er pas weer uitkomen als de roze bloesems weer aan de bomen verschijnen en het zonnetje weer een warme gloed over jouw wereld geeft.

Mama, ik heb een boodschap voor jou.

Jij bent GEEN mislukking.
Jij doet PRECIES waar je voor gemaakt bent.
Je bent sterk, creatief, liefdevol, en van levensbelang.

Jij staat er niet alleen voor!
Je mág huilen, je mag je last voor de voeten van je Vader neergooien.

In deze tijd vol overprikkelend kunstlicht is het vrede-gevende echte licht van God nog steeds aanwezig.
Hij wil je écht vrede geven.
Hij wil je langgebeden smekingen écht verhoren.
Hij wil nog steeds door jou gezocht en gevonden worden, al zie je door de bomen het bos niet meer.

Lieve mama, hou vol!
En vergeet niet: ook dit gaat voorbij!
Ook jij mag genieten van al die kleine, gekke, mooie dingen.
En oja, die was hangt er morgen ook nog wel.

Liefs,

Een mede-mama

Mama in de spiegel

Wat kan ik toch ontzettend met mezelf bezig zijn! Als ik een boek wilde schrijven over mijn zieleroerselen en hersenspinsels, kon ik er een serie van maken die zou kunnen wedijveren met een volledige wetenschappelijke encyclopedieënreeks. Zelfreflectie is de gave, maar ook de vloek van onze generatie, en hierin vorm ik geen uitzondering op de regel. Als er een studie navelstaren voor moeders bestond, was ik daar cum laude afgestudeerd. Met een specialisatie in hopeloze cirkeltjes.

Ik heb de laatste tijd veel in de spiegel gekeken. Een spiegel die dingen liet zien die een ander niet ziet; die de kleinste imperfecties en de zwartste kanten van mijn karakter uitlicht.

Met een huis vol ingewikkelde levende verhalen is het soms zo verleidelijk om al die beperkingen naar jezelf toe te trekken. Als je kind faalt, faal je zelf.
Als je kind weigert, is dat jouw schuld. Als je kind over grenzen gaat, is dat omdat jij het hem niet goed genoeg hebt duidelijk gemaakt waar die liggen.
Als je kind verdrietig is, is het jouw plicht en verantwoordelijkheid om hem weer te laten lachen.

Als ik in de spiegel kijk, zie ik een hopeloos imperfecte moeder. Eén die óók niet altijd haar best deed op school, dus hóe kan ze van haar kinderen anders verwachten? Eén die altijd geneigd is om op te geven, dus hoe kan ze van haar zoon die zo op haar lijkt vragen om door te zetten?

Kinderen zijn een spiegel. Een spiegel die het beeld soms vervormt, net als zo’n gebobbelde lachspiegel in het pretpark. Net zo goed als je eigen zelfbeeld niet altijd de werkelijkheid weergeeft. Maar in welke spiegel zou ik dan moeten kijken? Want in welke ik ook kijk, het is toch nooit perfect.

Zou het niet handig zijn om in een beslágen spiegel te kijken? En dat je dan met een droge doek alleen de stukjes droog zou vegen die je eventueel nog wel wil zien? En dat je op een goeie dag misschien iets meer zou durven droogmaken, en op een slechte zo weinig mogelijk?

“Want het woord van God is levend en vol van kracht. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard, het dringt zo diep door dat het alles in ons van elkaar lossnijdt, zelfs onze diepste gedachten en verlangens. Daardoor wordt duidelijk wie wij werkelijk zijn.”

Hebreeën 4:12 – ‘Het Boek’

Als ik de waarheid over mezelf wil weten, moet ik bij Jezus zijn. Dat weet ik diep van binnen. Het Woord van God laat me zien hoe ik in elkaar steek.
Het is een gladde spiegel, die alle imperfecties haarfijn laat zien, en verborgen motieven blootlegt. Het Levende Woord, Jezus, is zo perfect, daar val ik bij in ’t niet. Als ik mezelf in die spiegel bekijk, ben ik compleet ongeschikt en onwaardig. Misschien beter om die Bijbel in de vuilnisbak te gooien.

Of is het misschien beter om wél naar Hem te kijken?
Hij veegt die spiegel wel schoon, want Hij speelt niet graag verstoppertje. Maar met één hemelhoge daad van liefde en opoffering veegt hij ook mijn imperfecties weg. Ik kan er niet bij. Maar aanvaard maar weer opnieuw die grote, onbegrijpelijke genade.
En bid dat als mijn kinderen in míjn spiegel kijken, ze een glimp kunnen opvangen van dat grootse, dat wonderbaarlijke geschenk dat mij gegeven is. Genade van God.

Wat maakt ’t uit?

Het is zo’n lekker zachte, verdwaalde nazomerdag. Ik sjouw de zoveelste natte was van de week naar buiten en hang de (steeds groter wordende) spijkerbroeken, T-shirts en sokken netjes op een rij aan mijn mooie nieuwe droogmolen. De vorige heeft afgelopen voorjaar na achttien jaar trouwe dienst de geest gegeven, en omdat de zeldzame seniorenwasjes nog láng niet in zicht zijn, (tenminste, met die gedachte hou ik mezelf zoet en hopelijk jong,) hebben we een nieuw, stevig exemplaar aangeschaft.

Zo’n pubergezinswas is altijd weer een verrassing. Zou er deze keer wél ondergoed van die ene – niet nader te noemen – telg bij zitten? Zouden er nu eens wél een even aantal sokken aan de lijn komen te hangen? Vandaag valt het mee, zelfs de viespeuk des huizes heeft zeker één onderbroek in de was gegooid de afgelopen twee dagen. Ik ben trots.
Dan hang ik een pyjama van mijn benjaminnetje op. Een mooie, knalrooie broek met zwarte sterren, en het bijpassende shirt… eh, néé, het shirt dat bij z’n ándere pyjama hoort. De zwart-met-grijze.
Ik grijns. We hadden er laatst nog een klein gesprekje over: welke broek hoort bij welk pyjamajasje?

Mijn ook-al-zo-groot-wordende brugklassertje dat elk uitje in zijn eten vindt, elk tomaatje uit zijn sla vist en de ene week alleen maar smeerkaas lust en de andere week alleen maar ham, uitgerekend die mekkerkont zegt: “”Wat kan het nou schelen dat m’n pyjama niet bij elkaar past! Trouwens, in het donker, in bed, ziet toch niemand het”.

Dit is hetzelfde jongetje dat gewatteerde kerstsokken aantrekt in juli, geen zomerpyjama wil dragen omdat hij van zo’n korte broek een raar gevoel krijgt en dan niet kan slapen, zijn nieuwe zomerjas links laat liggen omdat hij liever een oud tweedehands trainingsjasje draagt dat drie maten te klein is.
Maar hij heeft gelijk: wat kan het nou schelen?

Wat kan het schelen dat je met het raam open ruzie maakt met je broer en de hele buurt mee kan genieten? Wat maakt het uit dat het halve dorp een openluchtconcert heeft als jij staat te douchen?
Wat maakt het uit als ze vinden dat we een tokkies zijn, omdat we in de verkeerde straat wonen? Wat maakt het uit dat er bij ons áltijd leven in huis is en we met z’n vijven in een rijtjeshuis (dat voor starters al te min is) bivakkeren? Wat maakt het uit dat ze denken dat je lui bent, omdat je niet buitenshuis werkt en overdag zomaar voor het raam zit te lezen of te haken?

Ik maak me zo vaak druk over zoveel dingen, en nog wel het meest om wat een ander denkt of vind. En ik kan je vertellen: daar krijg je kramp van. En hoofdpijn.
Ik wil me geen zorgen meer maken om wat de buurvrouw van zoveel-huizen-verderop wel niet over mij zegt. Ik wil niet meer mijn best doen om te zijn zoals de anderen. Ik wil me niet meer 24/7 druk maken of we anderen niet tot last zijn en of ik iemand niet benadeel. Ik wil niet meer blijven speuren naar de juiste manier en de goeie look.

Ik wil leren wat genade is, en sorry leren zeggen als dat nodig is.
Zonder kramp. Zonder hoofdpijn. En mét een flinke portie genade.
En ik weet bij Wie ik dáárvoor wezen moet.

Als mama zelf niet verder kan

Je rent je rot, je regelt je suf. Je pleegt telefoontjes, mailt en mailt en mailt opnieuw. Je bent je boos maar je blijft vriendelijk, je wordt toch boos en jankt je ogen er uit.
Je staat op voor dag en dauw, smeert boterhammen en zet drinken en andere proviand per kind op maat op een rijtje klaar. Je sust ruzies, speelt scheidsrechtertje, praat met chauffeurs, docenten en mentoren, regelt schoolspullen, kaft de boeken en neemt af en toe een slok koffie om het vol te houden.
En ondertussen vertel je je kinderen: Alles komt goed! Goed je best doen, ik ben trots op jou!

Moeders zijn rare wezens. Ze gaan door tot het gaatje, en laten niet los. Logica en rede staan vaak haaks op de neigingen van het moederhart, dat soms ook blind is voor het pedagogisch wenselijke. Tot er, onvermijdelijk, dat moment komt dat ze keihard tegen de muur lopen. Want als er één ding (onder de ontelbare dingen waar ze experts in zijn) is dat ze niet kunnen, is het: loslaten. Dus zeulen ze die veel te zware last gewoon mee. En dan komt er een moment, dat mama niet verder kan.

Gisteren las ik een artikel over curlingouders; het soort ouder dat alle problemen op de weg van hun kind wil wegvegen. Een pedagoog kaartte het fenomeen aan – iets wat al meer mensen hebben gedaan overigens – als iets zorgwekkends. En de pedagoog in mij roept: EENS! Je kind móet ook leren op eigen benen te staan, en dat gaat niet als jij hem blijft dragen.
Dat je-rot-rennen is goed en nodig, tot op zekere hoogte. Je vertelt je kind: het komt goed. En vervolgens zorg je daar zélf voor. Door ze alles uit handen te nemen, door ze alles voor te kauwen, of door overal bovenop te zitten. Ik doe dat. Want de moeder in mij (en zit er nog een mij in die moeder?) wil dat er geen mislukkingen, falen, of teleurstellingen in het leven van haar kinderen voorkomen.

Maar vanochtend dacht ik plots aan die doodlopende weg. Door het gevecht met de situatie van mijn jongste – nieuwe school, hoe gaat dat, taxi-perikelen enzo – loop ik op mijn eindje en zie ik dat bord met dat veelzeggende rode blokje erop als het ware vlak voor me opdoemen.
Naast moeder en amateurpedagoog ben ik ook nog gewoon mens. En dan ook nog een hooggevoelig exemplaar. Helaas, of misschien gelukkig, komt er steeds weer een moment dat ik niet verder kan. En dan moet er dus wat ballast overboord, ander zink je geheid.

We zijn verantwoordelijk voor ons ouderschap. Maar wij zijn niet verantwoordelijk voor de loop en het succes van het leven van onze kinderen. En ik denk dat daar een sleutel ligt: als je jouw stukje hebt gedaan, moet je het loslaten. Al gaat het kind dan linea recta op z’n snufferd.
Het lastige met dat zien van je verantwoordelijkheden en het loslaten van datgene dat daar níet onder valt, is dat dat steeds weer bijgesteld moet worden. Het is voor ons, moeders, zo heerlijk en natuurlijk om onze kleintjes lekker te vertroetelen en als het misgaat ze tegen ons aan te drukken. Maar werkt dat ook nog als ze twaalf zijn?

De vraag is: gun je je kind zijn eigen kracht en vermogen om weer op te staan, en een nog belangrijker vraag: vertrouw je hun Maker genoeg om hen aan Zijn exclusieve zorg en toezicht over te geven?
Want dat is echt mijn overtuiging: als christenouder heb je deze enorme zekerheid: er ís Iemand die op je kinderen let. Die hen zag vanaf hun vormeloos begin. Die ook jóuw dagen heeft opgeschreven. (Psalm 139)
Er is Iemand die het `doodlopend’ bord uit de grond kan trekken en een weg baant door de wildernis. Een weg die vaak een heel andere kant op gaat dan je had kunnen bedenken.

Als je niet verder kan, dan is het misschien tijd voor een andere weg. Misschien wel één waarop je alleen maar met een lichtere rugzak kan lopen; en hoe dan?
We zijn nog wel even onderweg, en zullen nog wel vaker een ongewenst verkeersbord of een rare splitsing tegenkomen. En soms is de weg te vol kuilen en plassen om er nog hard te kunnen lopen; soms moet je gewoon rustig aan en genieten van het landschap. Wedden dat we dan over een poosje al verder zijn dan we ooit dachten te kunnen komen?

“Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.”

Jesaja 43:19

Onderweg

Hoe geef je moeilijke dingen een plek?
Hoe verwerk je jarenlang belachelijk gemaakt en uitgesloten worden?
Hoe sluit je een periode af als je nog steeds niet weet wat je eigenlijk overkwam, en je niet eens de emoties kunt plaatsen of beschrijven die die periode door jouw lijf schoten?
Hoe vind je de kruk van die deur, die je eigenlijk dicht zou moeten doen?

Een nieuwe start. Een nieuw begin op een nieuwe school. De toekomst ligt open, en één ding is zeker: de moeilijke situatie van eerder is voorbij; en de mogelijkheid bestaat dat het nu wél leuk (of in elk geval niet vreselijk) gaat worden in je klas.

Ik kijk naar mijn kind met autisme en zie dat, door de eerste vrije dagen na het afscheid van groep acht heen, de spanning langzaam van hem af begint te vallen. De spanning van het `ik moet daar weer heen’. De spanning van het niet weten hoe het gaat lopen met de musical, de barbecue, de kinderen die áltijd op je letten en vaker scheldwoorden gebruiken dan jouw echte naam; het vage maar niet te negeren gevoel van er niet bij horen.
Hij durft weer af en toe gek te doen, over de grond te rollen als een babietje, keihard te zingen en breekt zelfs wat steentjes van de muur van weerstand af die hij de laatste maanden tussen hem mij heeft opgetrokken. We kunnen weer een spelletje doen en gezellig een film kijken.

‘Hoe gaat het met je?’ Wat een stomme vraag om te stellen aan een beginnende puber met ASS. Ik probeer de vraag wat specifieker te maken: ‘Geeft het een fijn gevoel om te weten dat je niet meer terug hoeft naar die klas?’
Hij haalt zijn schouders op. Hoewel zijn gedrag mijn vraag positief lijkt te beantwoorden, weet hij écht niet wat hij voelt of voelen moet. Er is maar één ding dat nu duidelijk is: Ik ga de juf wel missen!
Ík ga de juf ook missen. Of eigenlijk ga ik de zekerheid missen dat er in elk geval íemand mijn kind echt zíet.

Ik zou hem zo graag willen helpen om de pijn en de afwijzing die hij tot nu toe heeft ervaren achter zich te laten en zo iets van opluchting, bevrijding te voelen. Ik zou de kruk van die deur die hij dicht mag doen wel in zijn handen willen duwen. Maar hoe het in zijn koppie werkt is me een raadsel, en misschien ís daarbinnen wel helemaal geen deur.
Ik probeer mezelf te troosten met het idee dat hij straks betere ervaringen op kan gaan doen, en dat die de oude (hopelijk) langzaam maar zeker zullen gaan verdrijven. Maar mijn psychologische en andere menselijke pogingen om oplossingen te bedenken haperen aan alle kanten – er is iets groters, iets beters nodig om mijn kind vrij en gelukkig te maken.

Hij is onderweg, net als zijn moeder. Net als wij allemaal. Hij loopt met ons mee, niet heel ver weg, maar ook niet meer altijd dicht tegen ons aan. Ik moet hem steeds meer loslaten, en wat is dat een vreselijke, onmogelijke opgave!

Maar wie loopt daar in het midden met ons mee?
Wie is die altijd Aanwezige die mijn kinderen beter kent dan ik?
Wie is die sterke, betrouwbare, liefdevolle, Wijze, die mij ondersteunt als ik niet meer kan en Die mijn kinderen niet uit het oog verliest?

Is het niet die Vader die als geen ander weet wat het is om zijn Zoon los te moeten laten en over te geven aan degenen die Hem haatten?

“Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God,
van Hem is mijn heil;
waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen.”

Psalm 62:2-3

Van lijden naar heerlijkheid

Met verwondering heb ik de afgelopen weken de geschiedenis van Job gelezen. Een verhaal om je hoofd bij te schudden, je wenkbrauwen vragend bij op te trekken en je op te winden over de aanklacht van die mooie vrienden van de immens lijdende, rechtvaardige man, die daar zat in zak en as.

Alles was hij kwijt. Zijn gezin, zijn bedrijf, zijn gezondheid. Alles waar een man trots op kan zijn. Geestelijke steun van zijn vrouw kon hij vergeten: `Zeg God vaarwel en sterf!’ sneerde ze cynisch, zoals alleen een vrouw dat kan.
God stond satan toe om die rechtvaardige van Hem te slaan. Het is wat die aanklager vanaf het begin het liefste doet: het schepsel van zijn Schepper scheiden; een wig drijven tussen Vader en kind. Hij dacht misschien dat onmenselijk lijden Job ertoe zou zetten te doen wat diens vrouw hem adviseerde. Maar hij had het mis.

Job deed wat je van een godvrezend man kan verwachten: hij riep het uit naar God. Hij richtte zijn jammerklacht in vertwijfeling naar de Eeuwige, tot ongenoegen van drie van z’n maten die hem kwamen bezoeken en het nodig vonden hem terecht te wijzen. Job was niet voor rede vatbaar. Het was het verschijnen van de Heere Zelf dat hem tot inkeer bracht: `U hebt gelijk! Ik weet dat U almachtig bent!’
Job kreeg een heel nieuw inzicht in wie God was; hij raakte volkomen onder de indruk van Zijn heerlijkheid en vergat zijn jammerklacht.

Het lijden van Job zet onze moeiten wel in perspectief; maar dat betekent niet dat wij niet ook moeten lijden soms. De vraag is wat we doen als alles ons teveel wordt; als de zorgen, de pijn en het verdriet ons overspoelen. Luisteren we naar de stemmen die ons aanklagen?
Vragen we ons af wat wíj verkeerd hebben gedaan? Of worden we cynisch als die vrouw van Job?

“Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden” – Romeinen 8:18

God herstelde Job volledig. Hij werd aan eind van ’t verhaal dubbel zo gezegend als aan ’t begin. Maar Job had iets niet wat wij wel hebben: de Zoon.
Als wij, zoals Johannes beschrijft, Zijn heerlijkheid zien, valt het lijden weg en raken we vol bewondering van Wie Hij is. Dan overtuigt de Geest ons van de hoop op een tijd waarin wij in Zijn heerlijkheid mogen delen, en laat Hij een vrede in ons stromen die al het menselijk begrip te boven gaat.

Geef niet op – hou vol! We zullen Hem zien, de Heer die na een tijd van óngeëvenaard lijden verheerlijkt is en in de troon zit – en met ons Zijn heerlijkheid zal delen!

De zachte, stille moeder

Communiceren, wat is dat soms lastig! Rustig praten, goed luisteren, heldere boodschappen afgeven, duidelijk maken wat er speelt of wat er moet gebeuren; bijna niemand lijkt het voor honderd procent onder de knie te hebben.
Als je autisme of ADHD hebt, als je gehoor slecht is of als je met een taalontwikkelingsstoornis bent opgezadeld, is deze vaardigheid al helemaal niet vanzelfsprekend. En voor moeders, nee, voor ons gaat het ook niet vanzelf.


Jaren geleden vertelde een vriendin dat de moeder uit Het kleine huis op de prairie haar ideale moeder was. Ik heb de serie nooit gezien, maar begreep uit haar omschrijving dat het gaat om een lieve, rustige vrouw, die nooit haar stem verheft en slechts wijze woorden spreekt.
Mijn gedachten gaan dan eerst naar het boek Spreuken, en dan razendsnel naar mijn eigen onvermogen. Want ja, zo’n vrouw ís ook ideaal, maar wie kan altijd rustig, wijs en doordacht communiceren in een huis vol mensen met eigenaardigheden?

Toen ik vanochtend een humeurige jongste puber met een geforceerde glimlach uitzwaaide, en mijn maag nog pijn deed van de harde manier waarop hij momenteel met mij omgaat, schoot de tekst uit Spreuken 15 door mijn hoofd. Een vriendelijk woord doet de gramschap bedaren. Als je denkt dat de Bijbel geen handvatten geeft voor het dagelijks leven, moet je de Spreuken maar eens lezen. Ik denk dat de kleine-huis-op-de-prairie-mama dat boek uit haar hoofd heeft geleerd.

Maar nu ga ik even eerlijk zijn. Als was mijn leven ideaal en mijn man en kinderen altijd perfect, dan was ik nóg die serene moeder niet. Al kende ook ik het wijze boek van Salomo uit mijn hoofd, dan nóg ging het geregeld mis. Want mijn eigen hart is vaak onrustig, en voldoet niet aan de eisen; ik ben vaak egoïstisch en heb last van mijn eigen emoties.
Ik denk dat Jezus dat wist toen hij die overbekende woorden sprak.

“Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en u zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en Mijn last is licht.” – Mattheüs 11:29

De tekst uit Spreuken 15 heb ik vanochtend op de keukendeur gehangen. Maar ik weet dat ik er met een aanwijzing uiteindelijk niet kom. Boeken, cursussen en methodes genoeg om te leren communiceren; maar ik heb innerlijke vrede nodig om te handelen zoals Salomo suggereerde. Omdat ik al negenendertig jaar lang bewezen heb dat wetten niet werken en regels mij niet veranderen.

“Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven.” – Mattheüs 11:28

De last van de zonde die mij hard maakt en scherp; de neiging tot zelfrechtvaardiging en de liefdeloosheid die in mijn genen vervlochten is, ik kan ze niet van me losrukken door bijbelse oneliners aan de muur te hangen en het viervoudige pad van de geweldloze communicatie van Rosenberg uit mijn hoofd te leren. Ook zelfcompassie en mindfullness maken mij niet zachtmoedig en nederig van hart.

Ik ren naar Hem toe, die mij rust geeft, en kijk naar Hem, die wél zachtmoedig is en nederig van hart. En als ik dan bij Hem ben uitgerust, bind ik m’n schort weer voor en de grijp de wastobbe … eh … druk ik op het knopje van mijn volautomatische merkwasmachine. Met een brede smile, omdat ik stiekem weet dat moeder Prairie niet eens echt bestaat.


Hoe hou je het vol?

Er zijn van die dagen waarop het allemaal net even zwaarder lijkt dan anders. Van die dagen dat je hoofd op barsten staat, alles en iedereen door elkaar raast, je engeltjes ruziënd door het huis banjeren, het werk zich opstapelt en je vrede ver te zoeken is.
Terwijl je diep zucht en probeert rustig te blijven, stuur je een stil berichtje naar boven: Help Heer! Hoe hou ik dit vol?

Bij mij thuis zijn er geregeld van die dagen. Met drie pubers in huis waarvan er op het moment één met een gipsarm, één met krukken – ja, lang leve de combinatie altijd energie en de impulsiviteit die bij ADHD hoort – en één met zichzelf in de knoop loopt, lijken de muren van ons huis soms wel bol te staan. En die van mijn overgevoelige hoofd niet minder.

Ik weet niet hoe het met jóu zit, maar déze mama heeft van zichzelf maar weinig geduld. En nog minder incasseringsvermogen, zeker als ze weinig ruimte heeft om te ontprikkelen. Soms heb ik de neiging om gillend weg te lopen, maar over het algemeen vertolk ik dat gevoel door als een mopperende, jagende donderwolk door het huis te razen. Vér van het ideaal dat ik zo graag zou willen bereiken, vér van de rust die ik zo nodig heb en die mijn gezín zo nodig heeft.

“… terwijl u met alle kracht bekrachtigd wordt, overeenkomstig de sterkte van Zijn heerlijkheid, om met blijdschap in alles te volharden en geduld te oefenen.” – Kolossenzen 1:11

Gisteren las ik een artikel waarin werd afgegeven op christenen die ‘altijd met bijbelteksten smijten’. Met stijgende verontwaardiging las ik hoe de schrijver beweerde dat Gods Woord Gods Woord niet is, dat de Bijbel slechts een (weliswaar heilig) geschrift is dat door sommige christenen als een soort magisch toverboek wordt gebruikt, maar zeker niet onfeilbaar en van menselijke samenstelling.
Het maakte me verdrietig, omdat het Woord van God juist hetgene is dat mij op dagen als die ik beschreef weer opnieuw laat zien aan Wie ik me vast kan klampen. Als Gods Woord niet vaststaat, hoe hou ik het dán vol?

“Het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen. Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid.” – 1 Petrus 1:24-25, Jesaja 40:6

Paulus schrijft aan de gelovigen in Kolosse dat hij voor ze bidt dat ze Gods wil voor hun leven zullen ontdekken en mogen groeien in de kennis van God. Hij gelooft dat het Gods kracht is die hen zal helpen in álles vol te houden, en vol blijdschap en geduld te blijven.
Blijdschap en geduld, wat hebben moeders als jij en ik meer nodig? Goddelijke kracht, dát is wat ons in staat stelt om boven onszelf uit te stijgen en verder te kijken dan het menselijke `Hoe hou ik het vol?’

Ik wil jou (en mezelf) aansporen om stand te houden, en niet in te gaan op de listen en ontmoedigingen van satan en z’n personeel.
Vaak raast het leven om ons heen. Soms stormt het, en lijken we haast niet overeind te kunnen blijven. Maar God heeft voor hen, die in Zijn wil willen wandelen, een hemelse, bovenmenselijke kracht beschikbaar om vol te houden en de taak te volbrengen die ze van Hem gekregen heeft.
Hou je vast aan Hem!

“Houd dan stand, uw middel omgord met de waarheid (…) neem het schild van het geloof op, waarmee u alle vurige pijlen van de boze zult uitblussen (…) en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord.”

Efeze 6:14a, 16 en 17b

Mijn nette huis en andere Youtube-preken

Hoe doen ze dat toch bij Youtube? Welk geniaal brein heeft dat systeem bedacht? Hoe kan het dat ik ’s morgens bij de koffie via de NOS- en de RTV-Noord-app bij Youtube terecht kom op m’n tablet, en binnen een half uur geïnspireerd ben om het hélemaal anders te doen? En dan ook echt elke dag? 

Vanochtend was het de blonde, slanke vrouw met haar twee schattige zoontjes die een Zweeds opruimprogramma had geprobeerd waarbij je veel dingen wegdoet om zo een leger en schoner huis, hoofd én leven te krijgen. Ze plande haar dagen strak in van minuut tot minuut, en was zo superproductief. De beelden die haar volgers te zien kregen, leken die uit een magazine; opgeruimd, schoon en stijlvol. Perfect.
“Ik wil jou inspireren om jouw leven ook net een beetje prettiger en makkelijker te maken”, was haar vriendelijke slotzin. Wel, je hebt me geïnspireerd. Jouw verhaal blijft lekker doorzeuren in mijn hoofd terwijl ik als een malle met de stofzuiger door mijn eigen paleisje sjees.

Gisteren was het dat leuke gezin van zeven, dat harmonieus en knusjes in een tiny house leefde, dat me ervan overtuigde dat ik met (nog) minder ruimte genoegen zou moeten nemen.
Eergister was het die prachtig zingende dame die me vertelde dat ik een te simpel leven had en nu echt mijn dromen moest gaan najagen.
En de dag dáárvoor was het die ontzettend grappige meid die trouwjurken ging passen, die ervoor zorgde dat ik mezelf ontzettend saai vond en lang niet interessant en grappig genoeg. 

Kap dan met youtube kijken. Ik hoor het je denken, en je hebt gelijk. Youtube, woonprogramma’s op TV, magazines en niet te vergeten Pinterest, ze vertellen me allemaal hoe mijn leven en mijn huis eruit zouden moeten zien. Ook op christelijk erf doen de schreeuwers lekker mee: honderden (meest overzeese) youtubekanalen kunnen jou vertellen hoe sneu je geestelijk leven erbij staat, hoe je een betere (huis)vrouw wordt, hoe onbijbels je bezig bent of hoe verkeerd je dogma’s zijn.
Hoe je er ook bij staat, meningen van links naar rechts zijn in overvloed te vinden. Ik word er gek van. En ik bén ook eigenlijk gek dat ik steeds weer op dat rode vierkantje met het pijltje klik, wetend wat het met me doet. 

“Verder, broeders, al wat waar, al wat eerbaar, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidend is, als er enige deugd is en als er iets prijzenswaardig is, bedenkt dat.” – Filippenzen 4:8

Zou datgene dat mij zoveel onrust, ontevredenheid en gevoel van nooit-goed-genoeg bezorgt, vallen onder bovenstaand lijstje? Of wordt het tijd om Youtube en andere beïnvloeders eens van mijn dagelijkse vaste prikkel-input-lijstje te schrappen?
Ja, het kán altijd beter. Een stempelhuis als het mijne is altijd voor verbetering vatbaar, en ook mijn innerlijke drijfveren en mijn leer kan nog wel eens flink onder de loep. Maar míj lukt het niet om mezelf en m’n huis te verbeteren, ik word er alleen maar verdrietig en onrustig van als het me steeds niet lukt. Wanneer is het goed genoeg, en wanneer heb ik rust? Kan ik switchen naar een ander kanaal waar ik wél vrede en genade vind?

“Wees in geen ding bezorgd, maar laat uw verlangens in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; en de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus.”


Filippenzen 4:6-7 (HSV)

Gewoon thuis… of toch niet?

“Dus jij bent gewoon thuis bij de kinderen?”, vroeg hij. De vriendelijke interviewer bedoelde er niks mee. Ik begon wat ongemakkelijk te grinniken. Hij was hier voor mijn nieuwe boek, niet voor dit soort vragen toch?
“Ja, ik ben gewoon thuis.” Ik hoor mezelf uitleggen dat ik dat belangrijk vind en dat dat een bewuste keuze van mij is, om alle tijd en energie in mijn niet-echt-standaardgezin te steken. 

In 2019, en al een aantal decennia daarvoor, is het helemáál niet zo gewoon voor een moeder om géén betaald werk buitenshuis te hebben en dat ook niet te willen. Oh, het wordt vaak wel geaccepteerd door de moderne mens, want `ieder moet toch doen waar ‘ie zich goed bij voelt?’ Althans, dat is wat sommigen zeggen. Maar de werkelijkheid is anders. De media, het westers denken, de overheid en zelfs de belastingdienst sturen er vol overtuiging op aan dat een vrouw die `gewoon thuis is bij de kinderen’ een beetje belachelijk is of misschien onderdrukt door haar dominante man of door haar religie. Gewoon thuis? Joh, stap uit je bubbel, trek je naaldhakken aan en maak het helemaal! Je kan toch zoveel meer?

Gewoon thuis. Is het gewoon dat de zon elke dag opgaat? Is het gewoon dat na elke periode van droogte de regen weer komt het het land gezond houdt? Is het gewoon dat een tarwekorrel uitgroeit tot een volle aar die weer de grondstof levert voor ons dagelijks brood? Is het gewoon dat uit twee minuscule onderdeeltjes van man en vrouw een uniek, complex leven kan groeien? Is het gewoon dat God man en vrouw totaal verschillen schiep met hun eigen unieke krachten, kwaliteiten, mogelijkheden en lichaamsbouw en ze daarin elkaar wonderlijk aanvullen? Als deze bijzondere bedenksels van God `gewoon’ zijn, dan is moederschap ook gewoon.

Klopt. Het ís niet meer van deze tijd om tevreden te zijn met het ‘gewoon alleen maar’ moeder zijn. Gek genoeg was dat het eeuwenlang, tot nog niet eens zo heel lang geleden, nog juist het ideaal van de meeste vrouwen. Sterker nog, heel veel vrouwen, toen en nu, die níet met man en kinderen gezegend zijn, ervaren dat als een groot verdriet. Maar wat is dan de norm? Moeten we ons voegen naar het ideaal van vóór of ná de emancipatie? En zegt de Bijbel er iets over? 

“En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken, op dat u beproeft wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is” – Romeinen 12:2 

Vrouw-en-moeder zijn is een zegen. Kinderen zijn een geschenk van God. Dát zegt Gods woord wél. Voor mij is het moederschap, zeker met kinderen met stempeltjes, het beste te doen als ik thuis geen financiële bijdrage hoef te leveren en de vrijheid heb om iets buitenshuis te doen of niet. Gelukkig heb ik een man die me daarin de keuze laat. Voor andere vrouwen geldt misschien iets anders.
Laten we elkaar niet veroordelen om de persoonlijke keuzes die we maken, maar laat ieder zoeken naar Gods wil voor haar leven. Welke keus je ook maakt, doe het omdat God je ervan overtuigt. Omdat je met de Bijbel open en de stem van de Herder in je hart wéét dat dit de goede weg is. Niet omdat de kerk, de maatschappij, de media, de moeders bij school of je vriendinnen je een kant uit duwen.
Wees eigenwijs… en gehoorzaam Hem alleen!