Vijf dingen die je vreugde roven

De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede….’

Als ik elke dag in de aanwezigheid van de Vader mag leven en Hij Zijn oog op mij heeft – want dat geloven we toch? – waarom loop ik er dan zo vaak als een zuurpruim bij? Waarom voel ik me zo vaak ontmoedigd, bevreesd, onzeker en down, terwijl er overvloed van vreugde voor mij beschikbaar is? Vandaag wil ik vijf dingen benoemen die als gif zijn voor de geest; vijf dingen die de vreugde uit je ziel kunnen wegzuigen tot er een bitter, verschrompeld hart overblijft.

Ontevredenheid
We hebben het goed. Zo goed, dat het áltijd beter kan. We stellen een moodboard samen in ons hoofd en spelden onze verlanglijstjes vol op Pinterest. We spiegelen ons aan de (volgens Instagram of Facebook) prachtige levens van leeftijdsgenoten die wél een grote (en nette) tuin hebben, die wél elke vakantie op reis kunnen, of wiens kinderen wél succesvol zijn en goedkeurende knikjes van opa’s en buurvrouwen krijgen, en verliezen bij voorbaat al van hen omdat we sowieso al in alles denken te falen. We vergapen ons aan spannende Netflixseries of romantische films en ontdekken opeens dat ons eigen leven lang niet avontuurlijk en sexy genoeg is.
Ik denk aan het versje dat de moeder van een schoolvriendinnetje vroeger in m’n poëziealbum schreef. Het eindigde met de enorm diepe woorden die mij altijd zijn bijgebleven: ‘Wie Jezus heeft, die heeft genoeg!’ Is dat zo? Is Hij genoeg? Als ik me dat op een doorsnee dag zou afvragen, zou ik dan écht met een volmondig ‘ja’ kunnen antwoorden?

Heer, laat me U zien, laat me U meer en meer kennen, zodat U echt genoeg zult zijn en de glorie van de schatten op aarde als sneeuw voor de zon zal verdwijnen!

Controle
Als je leven een chaos dreigt te worden, en de lieve kinderen (en in sommige gevallen echtgenoten) als ongeleide projectielen door het leven fladderen, is er een hele bekende manier van overleven die maar weinig moeders vreemd is: controle uitoefenen. Zolang ik alles weet, alles in de agenda staat, ik overal zeggenschap in heb en liefst het laatste woord, alleen dán komt het goed. Want wie moet de touwtjes in handen houden in zo’n stempelhuis? Als elk gezinslid vóór het verlaten van het huis maar even door moeders screening is gegaan, is de kans van slagen deze dag toch net iets beter. De ellende is, dat hoe meer controle je hebt, hoe meer controle je kunt kwijtraken. Hoe krampachtiger je de aan jou toevertrouwde levens omklemt, hoe harder ze zullen vechten om vrij te zijn – en hoe vermoeider en moedelozer je zelf wordt.

Heer, leer me op U te vertrouwen en de levens van mijn kinderen in Uw hand te leggen, zodat ik weer vrij kan ademen – en zíj ook!

Perfectionisme
Áls ik iets doe, doe ik het goed. Ik hoor het mezelf met veel bravoure zeggen, en ontken het direct met schaamte, want het ís nooit goed genoeg in mijn ogen. Voor mij werkt dit perfectionisme verlammend, want áls ik iets aanpak is het nooit goed genoeg, en als ik het niet aandurf, mis ik weer het plezier en de voldoening die ik had kunnen ervaren.
Ik geloof absoluut dat het goed is om je taken naar beste kunnen uit te voeren, alles ‘als voor de Heer’, om Paulus nog eens te citeren. Maar weet je wat het is met perfectie: het bestaat niet! Er is maar Één volmaakt, en als er al een perfectie-standaard voor ons zou zijn, zouden we die allemaal met elkaar nooit kunnen bereiken. Heb je Spreuken 31 wel eens gelezen? Over die perfecte vrouw? Onmogelijk! Hoe kan ze stoffen weven, kleren naaien, handel drijven, vrijwilligerswerk doen, koken voor de armen, een groentetuin bijhouden, haar man en kinderschaar tevreden houden én ’s nacht amper slapen tegelijk? En oja, ze is ook nooit sjachreinig en spreekt alleen maar wijze woorden. De perfecte vrouw, wie zal haar vinden? Bestaat ze wel? Ik richt me op de woorden uit het niéuwe testament; u bent in Christus volmaakt geworden. Is dat geen genade? Híj is perfect, Híj is genoeg.

Oh Vader, help mij in Christus te blijven en te leunen op Zíjn uitnemendheid, en niet meer uit eigen kracht perfectie te willen bereiken. Ik wil niet meer krampachtig streven, maar de vreugde ervaren van het U kennen en het vertrouwen op het werk dat U in mij doet, en waar ik helemaal niéts aan kan bijdragen!

Angst voor mensen
Mijn perfectionisme en controledrang hebben veel te maken met de gedachte: wat zal men denken? Wat zullen ze wel niet over mij zeggen als ik niet alles perfect doe? Het is onmogelijk om door alle mensen met wie je geconfronteerd wordt goedgekeurd te worden; net als ikzelf hebben veel van die andere vrouwen en moeders tóch wel een mening, of die nou gefundeerd is of niet. In de eerste brief van Johannes legt de apostel uit dat angst voor veroordeling (straf) in de liefde niet kan bestaan: ‘de volmaakte liefde drijft de vrees uit!’ Als God ons niet veroordeelt maar volledig aanvaardt en liefheeft, wat zou het dan nog uitmaken wat mensen zeggen?
Het is zoveel makkelijker gezegd dan gedaan! Maar toch zegt de Wijsheid uit het oude testament het al: ‘Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Heer vertrouwt is onaantastbaar.’ Dit doet me denken aan dat verhaal over de jongen uit het verhaal van Max Lucado, die in een dorp woont waar men elkaar stippen en sterren opplakt al naar gelang men goedkeuring of afkeuring opvat voor de ander. De jongen moet van zijn maker leren dat die stickers door de liefde en acceptatie van zijn schepper niet meer zullen blijven plakken.

Oh Vader, leer mij leven uit genade en leer mij te zien hoe groot Uw liefde is, zodat ik niet meer bang ben voor de veroordeling van mensen!

Ongeloof
Een misschien niet zo voor de hand liggende vijfde is ongeloof. Je zou misschien verwachten dat een christen daar geen last van heeft, want ‘de rechtvaardige zal uit geloof leven’. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger. Verderop in het rijtje van de vrucht van (of de uitwerking van) de Geest staat (in een aantal vertalingen) het woord ‘geloof’. Blijkbaar is dat geloof nog iets wat moet groeien en niet voor 100% zichtbaar wordt vanaf het moment dat we ons overgeven aan Jezus Christus.
Vraag het jezelf maar eens eerlijk af: gelóóf je dat jouw kinderen een geschenk van God zijn? Geloof je dat Hij in het verborgene met hen bezig is? Geloof je dat Hij, die in jou een goed werk is begonnen, dat ook zal voleindigen? Geloof je dat Hij een weg zal banen in de wildernis, dat Hij rivieren schept in de woestijn? Geloof je dat Hij je vrede geeft die het mensenverstand te boven gaat? Geloof je dat Hij jouw huwelijk heeft bedacht en dat jij en je man een afspiegeling mogen zijn van de relatie van Christus met ons als gemeente? Geloof je dat echt?

Er kunnen nog zoveel meer redenen zijn dat je vreugde gedoofd is. In de eerste plaats de zonde, maar ook verdriet, ziekte, lijden en moeilijke omstandigheden. Maar ik geloof dat er vreugde is voor wie de bovengenoemde vijf (of meer) obstakels (of zijn het afgoden?) bij het kruis wil brengen. Het werk van Jezus was groot genoeg om dit alles weg te nemen; Hij wíl dat we vreugde kennen! Hij wil het door Zijn Geest in ons hart leggen, zodat we de opdracht uit de brief aan de Filippenzen kunnen navolgen: Verblijdt u áltijd in de Heer!

‘U maakt mij het pad des levens bekend; Overvloed van vreugde is voor Uw aangezicht’ Psalm 16:11

Advertenties

Hoe kon U dit bedenken?

Klagen. Vragen. Wat doen we dat graag! En als het lukt om glimlachend “Prima!” of “God is goed!” te zeggen wanneer men vraagt hoe het gaat, dan leggen we onze ingehouden klachten wel thuis bij manlief neer. Of in het beste geval: bij God.

Vanochtend las ik een stuk uit het boek Job; het gedeelte waarin de vierde vriend Job op z’n vingers tikt: Wat klaag je nou, weet je wel hoe groot God is? Hoe kun je Hém nou ter verantwoording roepen?
Nou, wat mij betreft had Job álle reden om te klagen; hij was zijn complete gezin én z’n bedrijf kwijt en zat onder de zweren, terwijl hij door zijn zogenaamde vrienden werd aangeklaagd. Lekker dan! Dus het was ook al niet in orde dat de rechtvaardige Job zijn klacht op God richtte? Als Elihu gelijk had, kan ik wel onder een steen gaan zitten en met Paulus roepen: `Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen?’

Hoe kon u dit bedenken?
Ik heb het vele malen naar God uitgeroepen. Een hooggevoelig, van nature faalangstig en onzeker mensje, dat een lekker drukke man krijgt die het liefst altijd muziek of TV aan heeft en mij officieel als leidinggevende-slash-secretaresse heeft aangesteld; en als bonus nog twee van die lieve stuiterballetjes en een derde gefrustreerde prikkelprins er bovenop.
Hoe kon u dit bedenken? Wie stelt nou zo’n gezin samen? Hoe word ik geacht mijn hoofd boven water te houden?
Niet! Al mijn kunstgrepen om staande te blijven of zelfs om de beste moeder te zijn lopen uit in een Jobiaans klaagfestijn. Ik kan het niet. En wees eens eerlijk, kan jij het wel?

Genade vinden in de chaos
Niet voor niets heb ik deze ondertitel voor Het Stempelhuis gekozen. Want hoe makkelijk is het om te verzanden in het diagnoses tellen, onmogelijkheden zien, wegzakken in zelfmedelijden.
Ik geloof dat wat voor mensen onmogelijk is, bij God júíst mogelijk is. Ik geloof dat er midden in de chaos genade te vinden is: en juist in deze roep: Ik kan het niet!
God is het die dit gezin bedacht; Hij is het ook die jóuw en mijn leven heeft ontworpen en die niet-zo-gewone mensjes in ons leven bracht. Waar wij roepen: Hoe dan, Heer? is Hij daar en zegt Hij liefdevol: geef het maar aan Mij!

Ik geef je kracht! Ik leg in jou een creativiteit die je verbazen kan, wanneer jij in Mijn kracht uitstapt om jouw gezin te leiden. Ik geef jou humor, gekke oplossingen, de kunst van het schouders ophalen als de hele wereld een mening heeft.
Ik wil jou laten zien hoe kostbaar en uniek jouw kinderen zijn; en hoe zij én jij mogen leren uit genade te leven. Ik wil je leren vreugde te vinden in de zegen die Ik geef, maar boven alles vreugde te vinden in Mij.
Vertrouw op Mij, Ik ben er en Ik zal er zijn.


Moet dat nou, zo’n stempel?

Met een verhoogde hartslag en een vaag knagend schuldgevoel in je buik zit je daar, aan de andere kant van een grijs bureau vol agenda’s, notitieblokken met aantekeningen, pennen, een computer, en die niet te negeren dikke, paarsblauwe DSM, die als een zwaard van Damocles de inhoud van het te vallen vonnis geheim houdt tussen zijn stevige omslag.

Je frummelt wat aan je tas en vraagt je af of je je jas ergens kwijt kan; in het benauwde kantoortje hangt de typische geur van printers en warm tapijt.
“Fijn dat jullie samen gekomen zijn! We zullen vandaag de uitslag van de onderzoeken bespreken en een plan voorstellen voor de te volgen behandeling.”

Je denkt dat ze alles weten. Daar, aan de andere kant van het bureau, zit je reddende engel met alle kennis die er te krijgen is, de dokter die alles van jouw kind weet en begrijpt. Je verwacht een intelligente, professionele oplossing voor de problemen rond je kind, dat niet binnen de lijntjes kleurt en zich maar niet tussen de strepen van de curve wil ontwikkelen. Je klampt je vast aan het oordeel van de deskundige, want wat moet je anders? Kom maar op met die diagnose!

De hele wereld heeft er een mening over. Wie verdwaald wil raken moet vooral eens over het internet gaan reizen met een aantal zoektermen die je willekeurig kunt prikken uit de onderzoeksverslagen van het GGZ.
Alsof je het allemaal maar verzonnen hebt, dat vreemde gedrag, die typische patroontjes, die rode cijfers, dat gebrek aan contact of die ontoombare energie. Alsof je zelf zo graag die wanhoop wilde voelen en die onmacht; alsof je het je ideaal was om je kind ooit aan te melden voor psychologische onderzoeken toen hij zo perfect en schattig verscheen op zijn geboortedag.

“Ze plakken overal een stickertje op tegenwoordig.”
“Moet dat nou, zo’n stempeltje?” of nog erger, en vooral pijnlijker: “Hij mag toch gewoon wezen wie die is?”
Als ik in gedachten terugga naar de periodes waarin onze kinderen hun diagnoses kregen, voel ik weer het verdriet, de angst, de afwijzing en de veroordeling.

Hij mág wezen wie hij is! Hij is door God gewild, geliefd. Een unieke creatie, met een masterplan voor zijn leven. Maar we zijn nog niet in de hemel, we leven in een land waarin je pas zorg, onderwijs en hulp op maat krijgt als er een officieel erkend labeltje aan je gehangen is.

Ik heb het schuldgevoel de deur uit gedaan. Als je kind extra vitamines nodig heeft, geef je die hem. Moeten er nieuwe kleren komen, dan zorg je daarvoor. Is zijn been gebroken? Dan komen er gips en krukken. Daar zal niemand je op aankijken.
Heeft hij extra hulp, zorg, aandacht, tijd, structuur of misschien zelf een pilletje nodig om een beetje beter mee te komen in onze maatschappij (en in je gezin!)? Dan stroop je je mouwen op, laat het publiek lekker boe-roepen en ga je ervoor. Met knikkende knieën en oogkleppen op, maar verzekerd van de liefde en genade van de Schepper van dat kind, Die Hem zelf tot in de kleinste details zo ontworpen heeft en Die in jou als moeder de mogelijkheden gelegd heeft om de beste expert te worden die er voor dat kind maar zijn kan.
Schud het oordeel van je schouders en ga ervoor. Want jíj en ik, wíj zijn ervoor aangenomen!

Het Stempelhuis

Christen zijn, dat is één. Moeder zijn, dat is twee.
Leven met een gezin vol stempels, dat is een heel ander verhaal.
Na alweer ruim achttien jaar huwelijk met een geweldige man en drie kinderen die samen vijf diagnoses hebben, heb ik ontdekt dat christenmoeder zijn niet alleen gaat over genade géven, maar vooral heel erg over genade kríjgen.

Met `Het Stempelhuis’ wil ik met korte stukjes en overdenkingen (we hebben immers al zo weinig tijd over) moeders en andere opvoeders, familieleden en betrokkenen van gezinnen waar `stempeltjes’ een rol spelen bemoedigen, laten lachen, nadenken, maar vooral laten weten dat ze niet alleen zijn.

“…terwijl u erop toeziet dat niet aan iemand de genade van God ontbreekt…” – Hebreeën 12:15 (Telosvertaling)