Ik kan dit niet!

“I wish it had never come to me.”
Kun je je de scene van de verdrietige Frodo aan het eind van het eerste deel van Lord of the Rings nog herinneren? Zwelgend in (mijns inziens terecht) zelfmedelijden en nog rouwend over de geliefde Gandalf die de diepte in stortte, staat hij op de rand van een nieuw deel van zijn avontuur, waarin hij een onmogelijke taak moet verrichten, terwijl zeven van de negen helden van zijn gezelschap al zijn afgevallen.

Als je zo’n film (voor de zeventiende keer) zit te kijken met een bak chips op de bank, roep je, wetende dat alles uiteindelijk goed komt: `Kom op Frodo, doorzetten! Nait soez’n, deurbroez’n! En je hebt Sam ook nog!’
En dan komt daar, alsof het jóuw stem is, de stem van Gandalf bemoedigend en bevestigend voorbij: `Dit is jouw taak, jongen, alleen jij kan dit!’

Ik ga je eerlijk vertellen dat ik vandaag even een Frodomomentje had. En dat had alles te maken met de ongewilde juf-pet die ik, net als praktisch alle andere moeders van schoolgaande kinderen, ongewild heb opgezet gekregen dankzij de corona-maatregelen.

Ik zwoegde door een door orks vergeven rotslandschap terwijl de wond van het nargulzwaard steeds pijnlijker werd… eh, oh nee… Ik liep in een zacht, geurend voorjaarswindje in de steeds meer verwarmende zonneschijn over de dijk langs het meer, terwijl de rietpluimen me toewuifden en de vogels, zich niet van enige crisis bewust, vrolijk hun voorjaarslied zongen. De bermen bezaaid met felgeel stralend speenkruid (of dotterbloemen, ik kan die twee nooit uit elkaar houden), alsof het de wereld bewust een beetje vrolijker wilde maken.

`Waarom heb ik deze taak gekregen? Ik kan dit niet!’
Is die zin jou deze weken al eens door het hoofd geschoten? Ik denk dat je niet de enige bent, ik kan je in elk geval de hand schudden. En één ding weet ik, zelfmedelijden helpt je geen zier. Hoe pittig het ook allemaal is met jouw kind of kinderen, met of zonder stempel.

Toen Esther in een vreselijk moeilijke tijd, waarin haar volk gevangengehouden en met de dood bedreigd werd, koningin werd aan de zijde van Ahasveros, was het haar oude oom Mordechai die net zo’n soort boodschap had als de stem van Gandalf in het hoofd van Frodo. Hij suggereerde dat het meisje juist met het oog op de huidige situatie in die tijd geplaatst was. (Esther 4:14)

De vraag is niet waaróm dit jou en mij overkomt. De vraag is ook niet of we er geschikt voor zijn. De vraag is of we willen geloven dat God genade geeft op het juiste moment, om alles te doorstaan wat we voor onze kiezen krijgen. Ik móet het wel geloven, want zó ken ik Hem. Als gespecialiseerd in bijstand voor degenen die het allemaal niet zo goed kunnen…

“Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd.”

Hebreeën 4:16

Storm

Wat kan een storm veel doen in het leven van een mens! Een flinke rukwind met orkaankracht kan het dak van je huis scheuren, een boom op je auto laten landen, maar ook jouzelf letsel toebrengen. Storm brengt onrust, bezorgdheid en angst. Want staat je huis wel zo stevig, is het dak wel zo waterdicht en ben je wel goed genoeg verzekerd?

Niet alleen letterlijke stormen kunnen je leven op zijn grondvesten laten schudden. Ook ziekte, scheiding, teleurstelling, verdriet en dood kunnen je beschadigd, verdwaasd en verdwaald achter laten. Waar kun je je bergen tegen de stormen van het leven?
Waarheid is, dat geen huis vast genoeg staat, geen fundament stevig genoeg is en geen verzekering kan maken dat jij en ik rust ervaren in het midden van de storm.

Toen ik gisteravond een blokje om ging om even te ontsnappen aan de prikkels van binnenshuis en zo hopelijk iets van mijn eigen spanning kwijt te raken, moest ik denken aan dat fenomeen `het oog van de storm’.
Als je de film Twister hebt gezien, of iets anders over tornado’s en stormen, heb je er misschien ook wel van gehoord. Dat punt in de storm waarin het windstil is. Ik ben niet de aangewezen persoon om dat weersfenomeen wetenschappelijk te verklaren, maar ik weet dat het ook in geestelijk opzicht bestaat. Stilte ín de storm.

Wat staat stevig als het buiten te keer gaat? Een boom, die rustig is gegroeid en kalm en zeker staat, de wortels diep in de aarde geslagen. Ja, die staat stevig, en biedt ook stabiliteit aan wie niet vast zit aan de grond. Maar zelfs zo’n boom kan in de ergste storm knappen als een lucifershoutje. We hebben het nodig om vastgehouden te worden door iets dat groter en sterker is dan wij. Iemand die Zelf vaststaat.

Terwijl ik daar buiten liep en de regen in vlagen over de verlaten dorpsstraat joeg, dacht ik aan die Man die daar was in het midden van zijn dodelijk beangstigde vrienden en die de storm tot bedaren bracht.
Hij is het in Wie we kunnen rusten, zonder zelf nog langer te hoeven kunnen staan.
Maar voorwaarde is wel, dat je zelf de touwtjes los moet laten en moet gaan erkennen dat je zonder Hem verloren bent. En hoe moeilijk is dat voor ons, westerse zelfdoeners, die voor elke onzekerheid wel een oplossing of tegeltjeswijsheid kunnen googelen. Het omkeren naar Hem is het afkeren van menselijke wijsheid. En dat moet je willen!

Het leven wordt er niet makkelijker of rustiger van als je Jezus kent. Maar! Hij wil wel een bovennatuurlijke vrede geven, een vrede die kan zijn als dat oog in de storm. Die zorgt dat we vrede, liefde en blijdschap kunnen bewaren terwijl de wereld, klein of groot, om ons heen jaagt.
Heb jij een betere optie? Weet jij een beter fundament dan Hij die riep: `Kom tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust geven!’?

“Staat zo vast in de Heer, geliefden…”

Filippenzen 4:1

Als je kind steeds minder eet

Chocola. Met een mengeling van verbazing en ergernis schrijf ik de lekkernij onderaan het mentale lijstje van zaken die niet meer gegeten worden door mijn ASS-er. Tussen haakjes erachter: dus ook geen hagelslag meer. De bruine heerlijkheid staat als een onwelkome vreemdeling onder de al bijna gewende ham, kaas-op-brood-maar-wel-los, gewone (dus geen zilvervlies)rijst (omdat die zo raar anders voelt) en alle yogho’s behalve perzik. Met groeiende zorg zie ik broodbakken vol terugkomen van school en borden gezond, warm eten onaangeroerd blijven. Mijn de lucht in schietende jongste puber wordt steeds lichter en slanker. Hoe lang kan dit nog doorgaan?

Als je kind steeds minder eet, wordt er een soort oermoedergevoel in je wakker gemaakt. Een moeder heeft het in haar genen om haar kinderen te voeden. Ook in de dierenwereld zie je moederdieren uit instinct hun kinderen voedsel geven. Als zo’n grote puberkerel aan je etenstafel voor de derde keer zijn bord wil volscheppen, knik je hem aanmoedigend toe: Toe maar! Eet maar! Het mag op! Hoeveel temeer het rotgevoel van onmacht als zo’n jongen juist steeds minder weg kan krijgen.

Ik ben een moeder die graag oplossingen bedenkt. Als ik merk dat er zich een doodlopend weggetje aandient in het leven van één van mijn kinderen, duik ik er bovenop. Ik Google, lees, bel, overleg, pieker, peins, lees nog wat meer, lig wakker en verzin. Ja, ik moet mij soms – met schaamte – rekenen onder de curlingouders. Maar in het geval van een kind dat afvalt en bijna niks meer binnenkrijgt, vind ik dat ik dat mág.

Het jammere is alleen, dat er soms geen oplossing is. Soms (ont)breekt de stok van de curling-veger (of hoe heet zo’n ding) en soms zit er gat in de baan. Soms kom er je na een surfsessie op het wijde web achter dat je probleem een veel voorkomend, onopgelost probleem blijkt te zijn.
Soms, of eigenlijk best vaak, moet ik na veel hoofdbrekens concluderen dat ik me bij het feit neer moet leggen dat het gewoon niet gaat zoals je wil. Hoeveel pijn of frustratie dat ook kost. Soms is het het beste om met Paulien Cornelisse, (in haar – overigens geniale – `taal voor de leuk’) simpel te zeggen: Dan maar.

Wat is het moeilijk om toe te geven dat je het ook niet meer weet. Of dit nu het slechte eetgedrag van je kind met autisme betreft, de doorlopende problemen met zijn taxivervoer, het toekomstperspectief van je bestempelde zonen of welk ander blok in je moedermaag dan ook.

“Komt één van u wijsheid te kort? Vraag God erom en Hij, die aan iedereen geeft, zonder voorbehoud en zonder verwijt, zal u wijsheid geven.”

Jakobus 1:5 (NBV)

Wijsheid is af en toe een mooie of zelfs snelle oplossing kunnen bedenken. Maar het is ook wijsheid om te accepteren dat de oplossing zich misschien later aan zal dienen.
Voorlopig negeer ik het hij-mot-gewoon-niet-zeuren-team dat op de achtergrond joelt in mijn hoofd, leg weer een multivitaminepil naast zijn kopje thee bij ’t ontbijt, en zegen de uitvinder van voedingssupplementen.

Ik schuif op hoop van zegen een bakje komkommerplakjes naast de weer opnieuw gevulde broodbak in de mega-brug pieper-schooltas, want die staan (nog?) op de groene lijst, en haal mijn schouders diep van binnen op (Al gaat dat niet vanzelf met zo’n pak erop.) Op hoop van zegen.
Op hoop van zegen!

De Eeuwige

Wat blijft en sterft niet af;

beklijft, gaat niet verloren?

Wat was er altijd al,

laat onuitwisbaar sporen?

Wie staat nog in de storm

en overleeft de regen?

Wie voedt zich niet

noch sterft eenmaal;

wie komt geen noodlot tegen?

Wat is eeuwig,

wat vergaat;

wat leunt slechts

op hem die staat?

Wat is drijfzand,

wat is vast;

op wie gooi ik

mijn stervenslast?

Bij wie berg ik mijn leven,

mijn komen en mijn gaan?

In wiens hand kan ik rusten

Waarop nog stevig staan?

“You are forever

and I am a moment

You are forever,

without You I am passing with the wind”

Paul Colman

Voor jou, mama!

Hee! Jij daar!

Ja, jij, met je bak koffie, haastig op de stoel, een poging doend om weer wat energie op te doen zodat je het weekend straks doorkomt. Dat weekend vol kerstverlichting, boze kinderen, punthoofden, schuldgevoelens en gefrustreerde gesprekken over geld.

Jij weet dat jíj het weer moet doen straks, als de kinderen thuis komen. Je denkt minstens één keer per dag: `Ik zou meer moeten doen’. Je peinst je suf over wie je ook al weer was vóór dit leven. Je voelt je vaag schuldig over al die dromen en talenten die je hebt laten varen, maar bij de gedachte aan méér schiet je al in een lichte paniek omdat je nu al manager, pedagoog, verpleegster, psycholoog, topkok, onderzoeker, wetenschapper, docent, leerling, vrouw-van-en-dus-agenda-ván bent en je geen idee hebt hoe je die levens zou moeten samenvoegen.

Misschien sta je er alleen voor. Misschien is de vader van je kinderen heel lief en steunt hij je, maar heeft hij net zoveel leiding en overzicht nodig van jou als jullie kinderen.

Jij staat misschien wel op het punt van huilen. Of zelfs op het punt van opgeven. Je bent moe, je hebt een vaag zeurende hoofdpijn, en je probeert in je gedachten alvast een planning voor de kerstvakantie te maken, want je wéét dat die planning zoveel rust kan geven. Maar eigenlijk wil je liever nu in een warm holletje kruipen (met of zonder Tony Chocolonely Karamel-Zeezout) en er pas weer uitkomen als de roze bloesems weer aan de bomen verschijnen en het zonnetje weer een warme gloed over jouw wereld geeft.

Mama, ik heb een boodschap voor jou.

Jij bent GEEN mislukking.
Jij doet PRECIES waar je voor gemaakt bent.
Je bent sterk, creatief, liefdevol, en van levensbelang.

Jij staat er niet alleen voor!
Je mág huilen, je mag je last voor de voeten van je Vader neergooien.

In deze tijd vol overprikkelend kunstlicht is het vrede-gevende echte licht van God nog steeds aanwezig.
Hij wil je écht vrede geven.
Hij wil je langgebeden smekingen écht verhoren.
Hij wil nog steeds door jou gezocht en gevonden worden, al zie je door de bomen het bos niet meer.

Lieve mama, hou vol!
En vergeet niet: ook dit gaat voorbij!
Ook jij mag genieten van al die kleine, gekke, mooie dingen.
En oja, die was hangt er morgen ook nog wel.

Liefs,

Een mede-mama

Mama in de spiegel

Wat kan ik toch ontzettend met mezelf bezig zijn! Als ik een boek wilde schrijven over mijn zieleroerselen en hersenspinsels, kon ik er een serie van maken die zou kunnen wedijveren met een volledige wetenschappelijke encyclopedieënreeks. Zelfreflectie is de gave, maar ook de vloek van onze generatie, en hierin vorm ik geen uitzondering op de regel. Als er een studie navelstaren voor moeders bestond, was ik daar cum laude afgestudeerd. Met een specialisatie in hopeloze cirkeltjes.

Ik heb de laatste tijd veel in de spiegel gekeken. Een spiegel die dingen liet zien die een ander niet ziet; die de kleinste imperfecties en de zwartste kanten van mijn karakter uitlicht.

Met een huis vol ingewikkelde levende verhalen is het soms zo verleidelijk om al die beperkingen naar jezelf toe te trekken. Als je kind faalt, faal je zelf.
Als je kind weigert, is dat jouw schuld. Als je kind over grenzen gaat, is dat omdat jij het hem niet goed genoeg hebt duidelijk gemaakt waar die liggen.
Als je kind verdrietig is, is het jouw plicht en verantwoordelijkheid om hem weer te laten lachen.

Als ik in de spiegel kijk, zie ik een hopeloos imperfecte moeder. Eén die óók niet altijd haar best deed op school, dus hóe kan ze van haar kinderen anders verwachten? Eén die altijd geneigd is om op te geven, dus hoe kan ze van haar zoon die zo op haar lijkt vragen om door te zetten?

Kinderen zijn een spiegel. Een spiegel die het beeld soms vervormt, net als zo’n gebobbelde lachspiegel in het pretpark. Net zo goed als je eigen zelfbeeld niet altijd de werkelijkheid weergeeft. Maar in welke spiegel zou ik dan moeten kijken? Want in welke ik ook kijk, het is toch nooit perfect.

Zou het niet handig zijn om in een beslágen spiegel te kijken? En dat je dan met een droge doek alleen de stukjes droog zou vegen die je eventueel nog wel wil zien? En dat je op een goeie dag misschien iets meer zou durven droogmaken, en op een slechte zo weinig mogelijk?

“Want het woord van God is levend en vol van kracht. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard, het dringt zo diep door dat het alles in ons van elkaar lossnijdt, zelfs onze diepste gedachten en verlangens. Daardoor wordt duidelijk wie wij werkelijk zijn.”

Hebreeën 4:12 – ‘Het Boek’

Als ik de waarheid over mezelf wil weten, moet ik bij Jezus zijn. Dat weet ik diep van binnen. Het Woord van God laat me zien hoe ik in elkaar steek.
Het is een gladde spiegel, die alle imperfecties haarfijn laat zien, en verborgen motieven blootlegt. Het Levende Woord, Jezus, is zo perfect, daar val ik bij in ’t niet. Als ik mezelf in die spiegel bekijk, ben ik compleet ongeschikt en onwaardig. Misschien beter om die Bijbel in de vuilnisbak te gooien.

Of is het misschien beter om wél naar Hem te kijken?
Hij veegt die spiegel wel schoon, want Hij speelt niet graag verstoppertje. Maar met één hemelhoge daad van liefde en opoffering veegt hij ook mijn imperfecties weg. Ik kan er niet bij. Maar aanvaard maar weer opnieuw die grote, onbegrijpelijke genade.
En bid dat als mijn kinderen in míjn spiegel kijken, ze een glimp kunnen opvangen van dat grootse, dat wonderbaarlijke geschenk dat mij gegeven is. Genade van God.

Wat maakt ’t uit?

Het is zo’n lekker zachte, verdwaalde nazomerdag. Ik sjouw de zoveelste natte was van de week naar buiten en hang de (steeds groter wordende) spijkerbroeken, T-shirts en sokken netjes op een rij aan mijn mooie nieuwe droogmolen. De vorige heeft afgelopen voorjaar na achttien jaar trouwe dienst de geest gegeven, en omdat de zeldzame seniorenwasjes nog láng niet in zicht zijn, (tenminste, met die gedachte hou ik mezelf zoet en hopelijk jong,) hebben we een nieuw, stevig exemplaar aangeschaft.

Zo’n pubergezinswas is altijd weer een verrassing. Zou er deze keer wél ondergoed van die ene – niet nader te noemen – telg bij zitten? Zouden er nu eens wél een even aantal sokken aan de lijn komen te hangen? Vandaag valt het mee, zelfs de viespeuk des huizes heeft zeker één onderbroek in de was gegooid de afgelopen twee dagen. Ik ben trots.
Dan hang ik een pyjama van mijn benjaminnetje op. Een mooie, knalrooie broek met zwarte sterren, en het bijpassende shirt… eh, néé, het shirt dat bij z’n ándere pyjama hoort. De zwart-met-grijze.
Ik grijns. We hadden er laatst nog een klein gesprekje over: welke broek hoort bij welk pyjamajasje?

Mijn ook-al-zo-groot-wordende brugklassertje dat elk uitje in zijn eten vindt, elk tomaatje uit zijn sla vist en de ene week alleen maar smeerkaas lust en de andere week alleen maar ham, uitgerekend die mekkerkont zegt: “”Wat kan het nou schelen dat m’n pyjama niet bij elkaar past! Trouwens, in het donker, in bed, ziet toch niemand het”.

Dit is hetzelfde jongetje dat gewatteerde kerstsokken aantrekt in juli, geen zomerpyjama wil dragen omdat hij van zo’n korte broek een raar gevoel krijgt en dan niet kan slapen, zijn nieuwe zomerjas links laat liggen omdat hij liever een oud tweedehands trainingsjasje draagt dat drie maten te klein is.
Maar hij heeft gelijk: wat kan het nou schelen?

Wat kan het schelen dat je met het raam open ruzie maakt met je broer en de hele buurt mee kan genieten? Wat maakt het uit dat het halve dorp een openluchtconcert heeft als jij staat te douchen?
Wat maakt het uit als ze vinden dat we een tokkies zijn, omdat we in de verkeerde straat wonen? Wat maakt het uit dat er bij ons áltijd leven in huis is en we met z’n vijven in een rijtjeshuis (dat voor starters al te min is) bivakkeren? Wat maakt het uit dat ze denken dat je lui bent, omdat je niet buitenshuis werkt en overdag zomaar voor het raam zit te lezen of te haken?

Ik maak me zo vaak druk over zoveel dingen, en nog wel het meest om wat een ander denkt of vind. En ik kan je vertellen: daar krijg je kramp van. En hoofdpijn.
Ik wil me geen zorgen meer maken om wat de buurvrouw van zoveel-huizen-verderop wel niet over mij zegt. Ik wil niet meer mijn best doen om te zijn zoals de anderen. Ik wil me niet meer 24/7 druk maken of we anderen niet tot last zijn en of ik iemand niet benadeel. Ik wil niet meer blijven speuren naar de juiste manier en de goeie look.

Ik wil leren wat genade is, en sorry leren zeggen als dat nodig is.
Zonder kramp. Zonder hoofdpijn. En mét een flinke portie genade.
En ik weet bij Wie ik dáárvoor wezen moet.

Boom van kennis

Een wolk van onvermogen en tekort
hangt boven me, en trekt de vreugde uit mijn leven
Ik heb het beste van mezelf al weggegeven,
vindt U ’t goed als ik mijzelf hier voor U stort?

‘Uw genade is genoeg’ heb ik gezongen,
toch eet ik liever van de boom van goed en kwaad;
kijk ik boos naar hoe ’t buiten de lijntjes gaat,
zit ik liever in mijn kadertjes bedwongen;

Heer, hier ben ik met mijn zelfbedachte zonden.
De slang blaast sluw zijn wolkjes om mijn hoofd:
heb ik dan toch niet écht in U geloofd?
Ben ik als oudste zoon nog steeds niet teruggevonden?

Een vaderstem klinkt: IK zie geen tekorten!
IK heb z’in Christus voor jou aangevuld.
Nee, kind, jouw hart is niet voor mij verhuld,
maar ‘k zie mijn Zoon, die eens zijn bloed kwam storten

Als mama zelf niet verder kan

Je rent je rot, je regelt je suf. Je pleegt telefoontjes, mailt en mailt en mailt opnieuw. Je bent je boos maar je blijft vriendelijk, je wordt toch boos en jankt je ogen er uit.
Je staat op voor dag en dauw, smeert boterhammen en zet drinken en andere proviand per kind op maat op een rijtje klaar. Je sust ruzies, speelt scheidsrechtertje, praat met chauffeurs, docenten en mentoren, regelt schoolspullen, kaft de boeken en neemt af en toe een slok koffie om het vol te houden.
En ondertussen vertel je je kinderen: Alles komt goed! Goed je best doen, ik ben trots op jou!

Moeders zijn rare wezens. Ze gaan door tot het gaatje, en laten niet los. Logica en rede staan vaak haaks op de neigingen van het moederhart, dat soms ook blind is voor het pedagogisch wenselijke. Tot er, onvermijdelijk, dat moment komt dat ze keihard tegen de muur lopen. Want als er één ding (onder de ontelbare dingen waar ze experts in zijn) is dat ze niet kunnen, is het: loslaten. Dus zeulen ze die veel te zware last gewoon mee. En dan komt er een moment, dat mama niet verder kan.

Gisteren las ik een artikel over curlingouders; het soort ouder dat alle problemen op de weg van hun kind wil wegvegen. Een pedagoog kaartte het fenomeen aan – iets wat al meer mensen hebben gedaan overigens – als iets zorgwekkends. En de pedagoog in mij roept: EENS! Je kind móet ook leren op eigen benen te staan, en dat gaat niet als jij hem blijft dragen.
Dat je-rot-rennen is goed en nodig, tot op zekere hoogte. Je vertelt je kind: het komt goed. En vervolgens zorg je daar zélf voor. Door ze alles uit handen te nemen, door ze alles voor te kauwen, of door overal bovenop te zitten. Ik doe dat. Want de moeder in mij (en zit er nog een mij in die moeder?) wil dat er geen mislukkingen, falen, of teleurstellingen in het leven van haar kinderen voorkomen.

Maar vanochtend dacht ik plots aan die doodlopende weg. Door het gevecht met de situatie van mijn jongste – nieuwe school, hoe gaat dat, taxi-perikelen enzo – loop ik op mijn eindje en zie ik dat bord met dat veelzeggende rode blokje erop als het ware vlak voor me opdoemen.
Naast moeder en amateurpedagoog ben ik ook nog gewoon mens. En dan ook nog een hooggevoelig exemplaar. Helaas, of misschien gelukkig, komt er steeds weer een moment dat ik niet verder kan. En dan moet er dus wat ballast overboord, ander zink je geheid.

We zijn verantwoordelijk voor ons ouderschap. Maar wij zijn niet verantwoordelijk voor de loop en het succes van het leven van onze kinderen. En ik denk dat daar een sleutel ligt: als je jouw stukje hebt gedaan, moet je het loslaten. Al gaat het kind dan linea recta op z’n snufferd.
Het lastige met dat zien van je verantwoordelijkheden en het loslaten van datgene dat daar níet onder valt, is dat dat steeds weer bijgesteld moet worden. Het is voor ons, moeders, zo heerlijk en natuurlijk om onze kleintjes lekker te vertroetelen en als het misgaat ze tegen ons aan te drukken. Maar werkt dat ook nog als ze twaalf zijn?

De vraag is: gun je je kind zijn eigen kracht en vermogen om weer op te staan, en een nog belangrijker vraag: vertrouw je hun Maker genoeg om hen aan Zijn exclusieve zorg en toezicht over te geven?
Want dat is echt mijn overtuiging: als christenouder heb je deze enorme zekerheid: er ís Iemand die op je kinderen let. Die hen zag vanaf hun vormeloos begin. Die ook jóuw dagen heeft opgeschreven. (Psalm 139)
Er is Iemand die het `doodlopend’ bord uit de grond kan trekken en een weg baant door de wildernis. Een weg die vaak een heel andere kant op gaat dan je had kunnen bedenken.

Als je niet verder kan, dan is het misschien tijd voor een andere weg. Misschien wel één waarop je alleen maar met een lichtere rugzak kan lopen; en hoe dan?
We zijn nog wel even onderweg, en zullen nog wel vaker een ongewenst verkeersbord of een rare splitsing tegenkomen. En soms is de weg te vol kuilen en plassen om er nog hard te kunnen lopen; soms moet je gewoon rustig aan en genieten van het landschap. Wedden dat we dan over een poosje al verder zijn dan we ooit dachten te kunnen komen?

“Ja, Ik zal een weg aanleggen in de woestijn,
rivieren in de wildernis.”

Jesaja 43:19

Onderweg

Hoe geef je moeilijke dingen een plek?
Hoe verwerk je jarenlang belachelijk gemaakt en uitgesloten worden?
Hoe sluit je een periode af als je nog steeds niet weet wat je eigenlijk overkwam, en je niet eens de emoties kunt plaatsen of beschrijven die die periode door jouw lijf schoten?
Hoe vind je de kruk van die deur, die je eigenlijk dicht zou moeten doen?

Een nieuwe start. Een nieuw begin op een nieuwe school. De toekomst ligt open, en één ding is zeker: de moeilijke situatie van eerder is voorbij; en de mogelijkheid bestaat dat het nu wél leuk (of in elk geval niet vreselijk) gaat worden in je klas.

Ik kijk naar mijn kind met autisme en zie dat, door de eerste vrije dagen na het afscheid van groep acht heen, de spanning langzaam van hem af begint te vallen. De spanning van het `ik moet daar weer heen’. De spanning van het niet weten hoe het gaat lopen met de musical, de barbecue, de kinderen die áltijd op je letten en vaker scheldwoorden gebruiken dan jouw echte naam; het vage maar niet te negeren gevoel van er niet bij horen.
Hij durft weer af en toe gek te doen, over de grond te rollen als een babietje, keihard te zingen en breekt zelfs wat steentjes van de muur van weerstand af die hij de laatste maanden tussen hem mij heeft opgetrokken. We kunnen weer een spelletje doen en gezellig een film kijken.

‘Hoe gaat het met je?’ Wat een stomme vraag om te stellen aan een beginnende puber met ASS. Ik probeer de vraag wat specifieker te maken: ‘Geeft het een fijn gevoel om te weten dat je niet meer terug hoeft naar die klas?’
Hij haalt zijn schouders op. Hoewel zijn gedrag mijn vraag positief lijkt te beantwoorden, weet hij écht niet wat hij voelt of voelen moet. Er is maar één ding dat nu duidelijk is: Ik ga de juf wel missen!
Ík ga de juf ook missen. Of eigenlijk ga ik de zekerheid missen dat er in elk geval íemand mijn kind echt zíet.

Ik zou hem zo graag willen helpen om de pijn en de afwijzing die hij tot nu toe heeft ervaren achter zich te laten en zo iets van opluchting, bevrijding te voelen. Ik zou de kruk van die deur die hij dicht mag doen wel in zijn handen willen duwen. Maar hoe het in zijn koppie werkt is me een raadsel, en misschien ís daarbinnen wel helemaal geen deur.
Ik probeer mezelf te troosten met het idee dat hij straks betere ervaringen op kan gaan doen, en dat die de oude (hopelijk) langzaam maar zeker zullen gaan verdrijven. Maar mijn psychologische en andere menselijke pogingen om oplossingen te bedenken haperen aan alle kanten – er is iets groters, iets beters nodig om mijn kind vrij en gelukkig te maken.

Hij is onderweg, net als zijn moeder. Net als wij allemaal. Hij loopt met ons mee, niet heel ver weg, maar ook niet meer altijd dicht tegen ons aan. Ik moet hem steeds meer loslaten, en wat is dat een vreselijke, onmogelijke opgave!

Maar wie loopt daar in het midden met ons mee?
Wie is die altijd Aanwezige die mijn kinderen beter kent dan ik?
Wie is die sterke, betrouwbare, liefdevolle, Wijze, die mij ondersteunt als ik niet meer kan en Die mijn kinderen niet uit het oog verliest?

Is het niet die Vader die als geen ander weet wat het is om zijn Zoon los te moeten laten en over te geven aan degenen die Hem haatten?

“Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God,
van Hem is mijn heil;
waarlijk, Hij is mijn rots en mijn heil,
mijn burcht, ik zal niet te zeer wankelen.”

Psalm 62:2-3